Voorliefde voor de rechte lijn

Al ruim dertig jaar loopt hij mee in de topsport, maar uitgekeken is inspanningsfysioloog Jos Geijsel (59), adviseur van onder meer Ajax en de Nederlandse hockeyploegen, nog allerminst. ,,In Athene zag ik coaches onder druk fouten maken dat ik dacht: dat was niet nodig geweest.''

Deze week liep hij Shota Arveladze tegen het lijf op sportpark De Toekomst. Of Jos Geijsel zo vriendelijk wilde zijn het vetpercentage te meten van de Georgische voetballer van AZ, met wie de inspanningsfysioloog geruime tijd samenwerkte bij Ajax. ,,Shota maakte zich zorgen, hij meende vier procent te hebben. Dus ik zeg: Shot, maak je niet druk, wie vier procent heeft, is op sterven na dood. En die indruk wek jij niet. Om hem gerust te stellen, heb ik 'm toch maar even gemeten. Bleek-ie gewoon wat ik al vermoedde keurig op tien procent te zitten.''

Al ruim dertig jaar loopt hij mee in de topsport, de wetenschapper uit Ouderkerk aan de Amstel die gemengde gevoelens oproept bij de profs van Ajax zodra die terugkeren van vakantie. Geijsel (59) is immers de man met de `onverbiddelijke vetpercentagemeter'. Wie tijdens het zomerreces (te) weinig heeft gedaan, loopt onherroepelijk tegen de lamp. Al relativeert Geijsel het belang van de meting. ,,Vet is de resultante van voeding, leef- en trainingsstijl. Een belangrijke parameter, maar ver ondergeschikt aan de fitheid van spelers. Het een hangt vaak met het ander samen, en dat zie je. Vaak bij jongens die na een paar jaar Ajax weer even terug zijn op het oude nest en een beetje meetrainen om hun conditie op peil te houden. Die hebben soms wel zestien, zeventien, ja zelfs achttien procent. Dat je denkt: jij bent niet goed met je vak bezig, vriend.''

Een gebrek aan beroepsernst is van alle tijden, weet Geijsel, én van alle leeftijden. ,,Bij Ajax zitten we d'r bovenop. Ook bij de jeugd, ja. Het is strijden tegen de tijdgeest, strijden tegen de luxe, de overdaad en alle verleidingen die daarbij komen kijken. Maar topsporters moeten nu eenmaal uitblinken in een ander gedrag dan hun familie, vrienden en kennissen. Dat is de kunst, dat moet een vanzelfsprekendheid worden. Daar kan je niet vroeg genoeg mee beginnen.''

Bij voorkeur met een standvastige kapitein met een visie aan het roer, stelt de voormalig docent aan de Haagse academie voor lichamelijke opvoeding, die in 1993 mede op voorspraak van oud-studiegenoot Louis van Gaal naar Ajax werd gehaald. Ja, hij heeft een stille voorliefde voor ,,strenge leermeesters, die niet verslappen zodra een zuchtje wind de kop opsteekt''. Groot is bijvoorbeeld zijn bewondering voor Co Adriaanse, met wie hij eveneens samenwerkte bij Ajax. ,,Wat mij intrigeert is de vraag hoe hij erin slaagt om op papier middelmatige voetballers, die bovendien al midden twintig zijn en sommigen zelfs nog wat ouder, binnen twee jaar naar het Nederlands elftal te loodsen. Jongens als Landzaat, Timmer, Van Galen, Kromkamp, Mathijsen.''

Het antwoord op die zelf opgeworpen vraag denkt hij wel te weten: ,,Co werkt op basis van heldere patronen, heel gestructureerd, en ziet er als een schoolmeester op toe dat zijn opdrachten ook uitgevoerd worden, zonder inflexibel te worden. Time-management, inhoud en kwaliteit, dat is wat hij doet: twintig minuten dit, dertig minuten dat, en vasthouden aan die aanpak, hoe groot de weerstand ook is of wordt.''

Adriaanse past in de ogen van Geijsel dan ook in het profiel van ,,de grote sportcoaches'', wiens namen hij moeiteloos opdreunt: ,,Michels, Van Gaal, Pfrommer, De Haan, Gemser, Oltmans, Boot, Hiddink, Alberda dat zijn types, die hebben niet áltijd succes, maar over het algemeen toch meer dan gemiddeld. Dat is geen toeval. Ze zijn in hun aanpak redelijk rechtlijnig, maar staan tegelijkertijd wel open voor nieuwe inzichten en weten die ook verrassend snel te integreren binnen hun eigen visie.''

Hoe dat komt? Heel simpel, zegt de veelgevraagde gastdocent: ,,Het zijn een voor een coaches, die een lerarenopleiding hebben genoten. Hun hele doen en laten heeft een sterke basis. Het zijn geen jongens die even snel een stoomcursusje hebben gedaan, en op basis van hun eigen sportverleden denken dat ze de wijsheid in pacht hebben. Ja, die kom ik ook tegen. Wat je dan vaak ziet, zijn kortstondige oplevingen, met alle gevolgen nadien. Ik heb vaak genoeg voorgesteld dat soort onervaren coaches in hun eerste maanden te laten begeleiden door een silent coach. Iemand die ze een beetje wegwijs maakt en voor grote uitglijders behoedt. Dat gebeurt helaas zelden, zo bleek vorig jaar ook [bij de Spelen] in Athene. Daar zag ik coaches onder druk van de omstandigheden fouten maken dat ik dacht: dat was niet nodig geweest.''

Bijkomend voordeel van de gelouterde en geschoolde coach à la Van Gaal en Adriaanse: ze zijn over het algemeen eerder bereid om de adviezen van hem, de externe adviseur, ter harte te nemen. En dat is wel zo prettig, erkent Geijsel, die uiteraard ook zijn beroepseer heeft. ,,Maar ik ben en blijf een adviseur, iemand die ingehuurd wordt. Ik ben niet de coach die beslist en beschikt. Dus als af en toe een goed advies van mij terzijde wordt geschoven, ja, dat kan ik dan vervelend vinden, het is mijn lot. Ik kan wel zeggen: vanuit fysiologisch oogpunt moet je zus en zo doen, maar de coach is de baas. Hij is de architect van het gebouw, iemand die met meerdere belangen en omstandigheden te maken heeft. Een aannemer laat zijn oren ook niet hangen naar de metselaar, die zich sterk maakt voor een bepaalde steen omdat dat zogenaamd de beste bouwsteen is.''

Wie de kalender van het voetbalseizoen 2005-2006 beziet (mét play-offs en dus meer wedstrijden) kan bijna niet anders dan concluderen dat Nederland, behalve op de kampioen, roofbouw pleegt op zijn topvoetballers. Met alle gevolgen van dien, zeker met het oog op de naderende WK-eindronde in Duitsland (juni 2006). Maar Geijsel bestrijdt die lezing, zoals hij ook bestrijdt dat Ajax momenteel met opvallend veel blessures te maken heeft. ,,Het zijn een voor een gezonde jongens, jongens voor wie voetbal bovendien hun vak is. Wie leeft voor zijn vak, en tussen de reizen door aan `onderhoudstraining' doet, kan moeiteloos twee wedstrijden per week spelen. Mits de arbeid-rustverhouding in het oog wordt gehouden. Het enige is: topvoetbal gaat vandaag de dag gepaard met een immense druk en een immense aandacht. Een goede wedstrijd of een wonderlijk doelpunt en ze denken dat ze god zijn. De sport is, in zekere zin, overbelicht. Dat geeft stress, en stress leidt tot fysieke kwetsbaarheid. Vooral mentaal worden jonge jongens zwaar op de proef gesteld. Niet iedereen kan daar even goed mee omgaan. Een sportpsycholoog of een mental coach is wat dat betreft geen overbodige luxe. Zo iemand zou in het voetbal nog veel goed werk kunnen verrichten.''

Waar de (top)sport minder bij gebaat is, is volgens Geijsel de toenemende invloed van de commercie. Neem de speciaal voor de Olympische Spelen ontwikkelde hersteldrank (PeptoProSports), die NOC*NSF-sponsor DSM vorig voorjaar introduceerde. Geijsel kan een flauwe glimlach niet onderdrukken zodra het product ter sprake komt. ,,Leuk verzonnen en ook heel slim in de markt gezet, maar of het werkt? Niet of nauwelijks. Het zijn en blijven suikerdranken, en dan ook nog eens bestaande uit `kale' suikers, dus zeer eenzijdig. Als het al werkt, dan alleen bij sporters die langer dan twee uur in actie zijn. Maar goed, dat eiwitdrankje wordt gepresenteerd als een soort wondermiddel, dat je na een uurtje zweten al nodig hebt. En dan baseren ze zich op een zogenaamd wetenschappenlijk onderzoek van twee à drie uur in een afgesloten klimaatkamer.

,,Ja, dan ga je wel zweten, dan kan je wel wat suikers gebruiken. Maar die nagebootste situatie komt niet overeen met de ware klimatologische omstandigheden, zoals in Athene. En dan nog: als dat eiwit het herstel zou bevorderen na een krachtsinspanning kan je net zo goed een boterham met kaas eten; daar zitten exact dezelfde eiwitten in. Sporters beoordelen zo'n product niet op inhoud, maar op smaak, geur en kleur. Daar richt de commercie zich ook op. Veel sporters vonden het een bittere smaak hebben. Het verbaast me dan ook niet dat de kelder van het Holland House propvol stond met die sportdrankjes.''

Hij begrijpt het wel, al die hele en halve `revolutionaire' vondsten die, zeker in de aanloop naar de Spelen, op de markt verschijnen. Maar maak hem niets wijs. ,,Het gebeurt geregeld dat de wetenschap misbruikt wordt ten behoeve van de commercie. Dan huurt een bedrijf een onderzoeker in, met de opdracht dit of dat te onderwerpen, maar de uitkomst staat al vast! Ja, zo kan ik het ook.''

Zelf heeft Geijsel ook te maken met mooie verkooppraatjes. ,,De hockeybond heeft sinds kort een nieuwe sportdrankensponsor, die ook beweert dat op basis van onderzoek zus en zo is bewezen. Prima, laat maar zien. Ik heb laatst gebeld, met de vraag of ik inzage kon krijgen in de onderzoeken. Werd ik van het kastje naar de muur gestuurd. Uiteindelijk kreeg ik op zaterdagavond laat een mailtje van the big boss met de mededeling dat er helemaal geen wetenschappelijk onderzoek is verricht. Prima, maar doe dan ook niet alsof.''

Een scepticus is Geijsel, zelf een voormalig marathonschaatser, naar eigen zeggen niet. ,,Zeker, de sport heeft zo zijn eigen ongrijpbare krachten en machten. In 1978, bij de start van de Tour in Leiden, was ik degene die bij de wielrenners van [ploegleider] Peter Post aandrong op het gebruik van aërodynamische pakken, hoewel het nut toen nog niet onomstotelijk was bewezen. Hetzelfde geldt voor het effectieve triathlonstuur in de wielersport. Axel Koenders (triatleet, red.) gebruikte het eerder dan de wielrenners. Maar d'r moet wel enige reden zijn om te veronderstellen dat iets werkt, anders wordt het lachwekkend. Het mooiste voorbeeld daarvan vind ik nog altijd die airstrips, waarmee de schaatsers pal voor de Winterspelen van 1998 op de proppen kwamen. Nou, dat was het helemaal. Ze hebben een paar gouden medailles gewonnen, maar kwam dat door die strips? Dacht het niet. Sterker nog: die dingen zijn kort daarop geruisloos van het toneel verdwenen. Psychologische oorlogsvoering, meer was het niet. En een producent die er kennelijk belang bij had.''

Zelf introduceerde hij afgelopen voorjaar bij de hockeyploegen het koelbad, als alternatief voor de gebruikelijke warme-douche-na-afloop. Zijn vondst, geïnspireerd onder meer door de ervaringen van strafcornerspecialist Taeke Taekema in Australië, werkte op de lachspieren. Moesten de hockeyers na afloop van een wedstrijd of zware training nu werkelijk zonodig plaatsnemen in een kinderbadje gevuld met ijsblokjes? Geijsel kent die scepsis. ,,Maar in de hitte van de strijd loopt de temperatuur van je spieren op, van 35 naar zo'n 38 à 39 graden, waardoor je giftige stoffen aanmaakt en je eiwitten beschadigen. Als je de bloedsomloop niet snel genoeg naar beneden brengt, pomp je vocht door toch al beschadigde haarvaten. In de paardensport, het honkbal en sinds kort ook het rugby wordt het al langer gedaan. Vergelijk het maar met een stuk vlees. Dat leg je ook in de koelkast om bederf tegen te gaan. Het is zaak om eiwitten snel te koelen, oftewel te conserveren. Dus niet na afloop gaan uitlopen, en de temperatuur en de bloeddruk bewust hoog houden. Nee, de oververhitting tegengaan en hup het water (gemiddelde temperatuur 20 graden, red.) in. Zodat je sneller herstelt en de daaropvolgende dagen beduidend minder spierpijn hebt.''