Minister Joschka Fischer is altijd een beetje rebel gebleven

Joschka Fischer groeide als minister van Buitenlandse Zaken in Duitsland uit tot een politiek idool. Met zijn vertrek verdwijnt de vaandeldrager van de generatie '68.

Een foto in de krant. Op een klein balkon staat een oudere man in een blauw overhemd. Hij geeft de plantjes water, met een groen plastic gietertje. Het nieuwe leven van Joseph Martin Fischer (57), voorheen minister van Buitenlandse Zaken.

Het aantal nieuwe gezichten in het Berlijn van de grote coalitie is zo groot dat sommige oudgedienden vrijwel onopgemerkt van het toneel kunnen sluipen. Voordat je er erg in hebt, zit een man als Fischer dan opeens tussen het groen.

In Duitsland neemt dit najaar een hele lichting politici afscheid. De generatie van het studentenprotest, de generatie '68, gaat met pensioen. Fischer was hun vaandeldrager. ,,Ik was een van de laatste live rock 'n' rollers van de Duitse politiek, nu komt in alle partijen de playbackgeneratie.''

Twee dagen na de verkiezingen in september kondigde Fischer aan geen leidinggevende functie in zijn partij te ambiëren. De Groenen hadden met 8 procent van de stemmen een goed resultaat geboekt, maar de samenwerking tussen rood en groen, tussen SPD en Groenen, was definitief ten einde. Twintig jaar geleden was Fischer de eerste Groene minister in een roodgroen-kabinet, in deelstaat Hessen. De gymschoenen die hij droeg toen hij in Wiesbaden werd beëdigd staan inmiddels in een museum. Fischer wás roodgroen.

Met zijn vertrek uit de frontlinie – Fischer wordt backbencher in de Bondsdag – overrompelde hij vriend en vijand. ,,Ik wil mijn vrijheid terug'', zei de man die in twee decennia was uitgegroeid tot een politiek idool. Hij was jarenlang de populairste politicus van het land. Duitsland was er aan gewend geraakt met Fischer mee te leven. Met zijn marathon (New York, 3 uur en 45 minuten), zijn jo-jo-gewicht (75 kilo, 112, 62, ?) en zijn huwelijken (vijf). Vroeg of laat, beweert iedereen stellig, keert Fischer terug in het licht van de schijnwerpers. Met een boek. In een internationale functie. Fischer is geen man voor de VUT.

Zijn politieke carrière begon ver van het regeringspluche, in de straten van Frankfurt. Hij volgde er colleges filosofie en geschiedenis, woonde in een woongroep en raakte als kraker verwikkeld in vechtpartijen met de politie. Fischer was aanvoerder van een knokploeg. Later, toen hij minister was, doken compromitterende foto's uit die dagen op. De minister van Buitenlandse Zaken had met stenen gegooid. De rel was groot. Fischer stak de hand in eigen boezem. Bovendien: hij had wel met stenen gegooid, maar niet met molotovcocktails. Hij overleefde de politieke storm.

De Fischer die in pak het Auswärtige Amt bestierde huldigde uiteraard een ander gedachtegoed dan Fischer, de stenengooier met de helm. Als minister verdedigde hij niet alleen democratie en grondwet, hij ging zelfs van Duitsland houden. Maar iets van de dwarse strijdlust, de arrogantie, de intellectuele creativiteit en het streven naar een betere wereld bleef bewaard. Een beetje rebel is Fischer altijd gebleven.

Begin jaren tachtig werd Fischer voor de Groenen in de Bondsdag gekozen. De Groenen. Toen een antipartij-partij. Pacifistisch. Basisdemocratisch. Milieubewust. Als geen ander heeft de `realo' Fischer de koers van de partij beïnvloed. In een kwart eeuw groeide de protestpartij uit tot een efficiënte, stabiele politieke vereniging. De niet-pacifist Fischer maakte zich er ook sterk voor dat de Groenen de inzet van Duitse militairen in Kosovo, Macedonië en Afghanistan accepteerden. Op een onrustig partijcongres in Bielefeld, 1998, kreeg hij daarom een roze verfbom tegen zijn oor.

Zijn finest hour beleefde minister Fischer op een zaterdagochtend in een hotel in München, in februari 2003. Buiten in de sneeuw demonstreerden duizenden tegen de op handen zijnde Amerikaanse aanval op Irak. Binnen, op een jaarlijkse conferentie over veiligheid, kruiste Fischer voor de wereldpers de degens met de Amerikaanse minister van Defensie, Donald Rumsfeld. ,,Sorry, ik ben niet overtuigd'', zei hij tegen Rumsfeld over diens argumenten voor een aanval. Sommige Amerikanen legden Fischers woorden toen uit als naïef anti-Amerikanisme. Dat was het niet. Fischer zei ook dat Europa nooit in staat zal zijn om in militair opzicht voor zichzelf te zorgen, dat de wereld het niet zonder de militaire macht van de VS kan stellen. Hij verzette zich wél tegen een wereldorde waarin de supermacht in zijn eentje beschikt over militaire acties.

Fischer houdt van bespiegelingen over de tektonische platen in de wereldgemeenschap. Hij schreef er boeken over en filosofeerde er graag over met de pers. Daarbij gold de regieaanwijzing: Fischer spreekt, pers luistert. Sommige bespiegelingen waren vaag, andere onheilspellend. Soms kwam hij op een kernbetoog terug. Tijden een toespraak op de Humboldt Universiteit brak hij in 2000 een lans voor een kern-Europa, een voorhoede van gelijkgezinden in het proces van Europese integratie. Een gedachte die hij later, na de uitbreiding van de Unie, als onrealistisch ter zijde schoof. Fischer is een groot voorstander van de Europese grondwet.

Als minister concentreerde Fischer zich op de grote kwesties. Europese integratie, vrede in het Midden-Oosten, Iran. Naarmate Schröder langer aan de macht was ging die zich meer met het buitenland bemoeien. Met Europa, Frankrijk en Rusland. Fischer dreigde op een zijspoor te raken. Zeker toen hij ook nog in de knel kwam tijdens een parlementaire enquête naar een laks visumbeleid. Maar ook die storm overleefde hij. De eerste vijf jaar maakte minister Fischer een betere indruk dan de laatste twee. Volgende week treedt zijn opvolger aan.