Karaktervast

Hoe vast ligt ons karakter? Wat is geprogrammeerd in ons DNA? Wat verandert er nog in de baarmoeder, als dat klompje cellen zich tot een mensje met een eigen brein ontwikkelt? Wat komt daarbij als de baby naar een rammelaar grijpt en de kleuter papa, of Grossvater leert zeggen? En later, valt er dan nog aan te verwrikken, dat karakter, of ligt het wel vast op je vierde? Is het karakter van beton?

Daarover ging het op 13 oktober bij het jubileum van de Amsterdamse Academische Club. Dick Swaab, hoogleraar neurobiologie, verdedigde de stelling dat er weinig meer verandert in het brein na je vierde verjaardag, uitgaand van een uitspraak van Charles Darwin: `Opvoeding en omgeving hebben slechts een geringe invloed op de mens en de meeste van onze eigenschappen zijn aangeboren'. Psychotherapeut Roel Verheul, hoogleraar persoonlijkheidsstoornissen, kreeg een kwartier om Swaabs misvattingen recht te zetten. `Psychotherapie helpt', was zijn uitgangspunt en dat moet betekenen dat een gestoorde persoonlijkheid te genezen valt.

Aangeboren is bij Swaab niet alleen DNA, integendeel. Swaab beklemtoont juist de plasticiteit van onze hersenen in de vroege ontwikkeling. Onze hersencellen maken verbindingen, zo'n 10 (10 miljoen miljard), en die verbindingen worden beïnvloed door de buitenwacht. Japanse kindertjes leren vloeiend Japans, maar probeer als Nederlander op latere leeftijd nog maar eens Japans te leren. De hersenen zijn dan inmiddels voor Nederlands geprogrammeerd en de nieuwe zenuwcelverbindingen, die nodig zijn om Japans vast te leggen, komen maar moeizaam tot stand.

De invloed van externe factoren op ons brein begint al in de baarmoeder en dat is een specialiteit van Swaab. Onze seksuele identiteit wordt bepaald door hormonale effecten op de vroege hersenontwikkeling en als die ontwikkeling eenmaal doorlopen is valt er later niets meer aan te verwrikken. Je vrouw of man voelen (genderidentiteit) of homoseksualiteit wordt in de baarmoeder vastgelegd; daar is later met psychotherapie of banvloek weinig meer aan te doen. Stoornissen in de hormoonhuishouding kunnen die seksuele geaardheid beïnvloeden, zowel aangeboren stoornissen als door de moeder geslikte hormonen.

Voor aanstaande moeders zijn de voordrachten van Swaab geen pretje. Je denkt dat zo'n kind veilig in de baarmoeder zit, maar Swaab weet wel beter. Bijna alles heeft invloed. Hormonen slikken is uiteraard uit den boze. Nicotine, amfetamine en stress verhogen de kans op homoseksueel nageslacht. Ondervoeding van het ongeboren kind (waar ma weinig aan doen kan) vergroot de kans op asociaal gedrag, schizofrenie, depressie, en vetzucht op latere leeftijd. De invloed van de voeding in de baarmoeder op de hersenontwikkeling maakt zelfs dat de hersenen van één-eiïge tweelingen soms morfologisch verschillen, als de ene placenta wat beter doorbloed wordt dan de andere. Het feit dat die één-eiïge tweelingen in het algemeen zo ontzettend op elkaar lijken laat overigens zien dat het meestal mee valt met die intra-uterine voedingsverschillen.

Swaab verluchtte zijn voordracht met voorbeelden van de haatpost die hij pleegt te krijgen, als hij weer eens aan een heilig huisje rammelt. Het merkwaardigste vond ik nog de boze reacties van homoseksuelen op Swaabs vondst dat homoseksualiteit is aangeboren en dat de diagnose zelfs aan de hand van hersenanalyse gesteld kan worden. Eeuwenlang is gepoogd om homoseksuelen te behandelen of te verketteren. Je zou denken dat iedere homoseksueel dankbaar zou zijn dat de natuur (God) de homoseksueel als homoseksueel heeft geschapen, en dan is het nog niet goed.

Over DNA zei Swaab niet veel, maar genetisch ligt er ook al heel wat vast van ons karakter, zoals uit tweeling onderzoek is gebleken. Dorret Boomsma, hoogleraar biologische psychologie in de VU, is al jaren bezig om de eigenschappen van één-eiige en twee-eiïge tweelingen te vergelijken in een collectie tweelingen die de 30.000 begint te naderen. Als een eigenschap genetisch bepaald is, lijken de één-eiïge meer op elkaar dan de twee-eiïge. Bij karaktertrekken vindt Boomsma een substantiële genetisch component. Of kinderen op hun derde agressief, tegendraads of hyperactief zijn, wordt (in onze goedgeordende maatschappij) voor 70% door aanleg bepaald. Hetzelfde geldt voor angstig, depressief gedrag bij kleuters. Maar ook bij 18-jarigen is probleemgedrag toch nog voor zo'n 60% genetisch bepaald. Het tweeling onderzoek laat ondubbelzinnig zien hoe belangrijk genetische factoren zijn bij karaktervorming. Het DNA is vrij dominant en intra-uteriene factoren spelen een ondergeschikte rol in het Nederlandse doorsneegezin, waarin de aanstaande moeder gezond eet en sigaret en alcohol laat staan.

Was het doel van Swaab om het gehoor te doordringen van de stelling dat onze eigenschappen zijn aangeboren, opponent Verheul startte met: ``Niets veranderlijker dan de mens'' en ``De omgeving bepaalt wie wij zijn''. Van een hoogleraar persoonlijkheidsstoornissen mag je dat verwachten. Dat vak zou vrij gruwelijk zijn als de beoefenaren er niet van overtuigd waren dat er iets te doen valt aan die stoornissen. Voor die overtuiging bestaat ook keihard bewijs. Deskundige psychotherapie werkt beter dan goede gesprekken met leken. Het tweelingonderzoek laat weliswaar zien dat ruim de helft van onze karaktereigenschappen genetisch bepaald is, maar dat betekent ook dat de andere helft gekneed kan worden door externe factoren: Ons karakter is niet van beton.

Verheul liet zien dat er meer flexibiliteit is in karakter dan mensen wel denken. Mensen worden consciëntieuzer en altruïstischer bij het klimmen der jaren en zelfs minder neurotisch. Ook bij borderline patiënten neemt de ernst van de stoornis af met de leeftijd. Er zijn natuurlijk aanlegfactoren, maar die werken niet los van de omgeving. Een verlegen ventje (aanleg), dat op school wordt gepest (omgeving), wordt gesterkt in angstig gedrag. Een jongen die neigt tot impulsief gedrag (aanleg) raakt pas in de criminaliteit door criminele vrienden (omgeving).

Uiteraard hadden beide sprekers gelijk, zoals ze in de discussie ook toegaven. Verheul accepteert dat seksuele geaardheid aangeboren is en dat de kwetsbaarheid en het temperament van individuen sterk door aanleg worden bepaald. Zoals hij zelf zei: De moeder van één kind gelooft in de opvoeding; de moeder van twee kinderen in de genen. Swaab accepteerde dat psychotherapie werkt, maar hij hield zijn twijfels of de therapie werkelijk leidt tot karakterverandering of alleen tot het vermogen van patiënten om beter met hun handicap om te gaan.

Jurist prof. Ulli Jessurun d'Oliveira wilde tijdens de discussie weten of Swaab nog wel in schuld gelooft. Als karakter en agressieve neigingen vastliggen, hoe kun je dan iemand voor de gevolgen van zijn agressie veroordelen? Swaab was daar laconiek over. Psychopaten weten formeel wat ze doen en zijn dus toerekeningsvatbaar. De straf zou echter niet moeten functioneren als vergelding, maar ter bescherming van toekomstige slachtoffers en als breekijzer voor therapie. Zo kwamen Verheul en Swaab toch nog in de buurt van elkaar: gedrag is beïnvloedbaar, therapie helpt. Wel betwijfel ik of veel toehoorders warm zijn gelopen voor de psychosomatische geneeskunde, de beïnvloeding van ons lijf via ons brein. Volgens Verheul is dat het vak van de toekomst, maar ik denk dat de meeste toehoorders toch hoopten het met de somatische geneeskunde te kunnen redden.