Internet hoort niet in handen van regeringen

Vrijwel niemand kent de internationale organisaties die verantwoordelijk zijn voor telefoon- en postverkeer. Geruisloos doen de anderhalf eeuw oude International Telecommunications Union en de Universal Postal Union met hun 190 lidstaten het technische werk van het openhouden van internationaal post- en telefoonverkeer. Dat de postzegelverkoop en de onderlinge verkeersvergoedingen nooit in het nieuws komen, is een goed teken.

Een derde onbekende organisatie beheert het adresboek van het over de wereld expanderende internet, de Internet Corporation for Assigned Names and Numbers (Icann). Icann deelt domeinnamen toe en laat die namen via dertien grote computerservers corresponderen met nummercombinaties, zodat iedere internetgebruiker wereldwijd binnen een seconde het adres van een ander kan bereiken. Deze organisatie is niet internationaal, maar wordt hoofdzakelijk bestierd door de industrie en valt sinds 1998 onder het toezicht van het Amerikaanse ministerie van Handel. Voordien werd het adressenboek op kosten van het Pentagon bestierd door een paardenstaart dragende hooggeleerde Californiër met de bijnaam God. De leiding zou in principe meer internationaal moeten, vindt ook de Europese Unie. Maar verdeling van de macht over alle regeringen van de gebruikers, zoals bij post en telecommunicatie, heeft ook onaantrekkelijke kanten.

Internet verschilt van post en telecommunicatie omdat het een wereldwijd, vrij publicatiesysteem is. Een pamflet wordt binnen een seconde voor miljoenen gebruikers tegelijk toegankelijk en daar willen ondemocratische regeringen graag greep op krijgen. Tijdens de VN-wereldtop over de informatiemaatschappij in Tunis afgelopen week werd grote druk op de Verenigde Staten uitgeoefend om de hegemonie op te geven en het internetbeheer onder supervisie van de VN te brengen. Daarmee zou het gedecentraliseerde, informele en technisch innovatieve karakter van het huidige Amerikaanse adressenboek worden opgegeven. Als die openheid van het netwerk typisch Amerikaans is, dan kan dat alleen maar worden toegejuicht. Technici vrezen dat meer regeringsinmenging de vernieuwing van het systeem vertraagt.

Vooral nu de Amerikaanse regering expliciet unilateraal is in zijn buitenlandse beleid, staat ze bij internationale bijeenkomsten vaak alleen. Hoewel het ministerie van Handel het Icann tot nu toe op zijn beloop heeft gelaten, is het internationale wantrouwen groot. Waarom zou de Amerikaanse regering niet plotseling Iran, Noord-Korea en Syrië, volgens president Bush `de as van het kwaad', het internetadres ontnemen?

Het is geruststellend dat Icann voorlopig in stand blijft, ondanks heftige druk van onder andere de Chinese en de Indiase delegatie tot institutionalisering. Er komt wel een inspraakorgaan waarin regeringen en andere organisaties mogen meepraten. De Amerikaanse delegatie beschouwde dat als een overwinning omdat bijna alles hetzelfde blijft. Door de felle oppositie zal de Amerikaanse regering zich wel twee keer bedenken voor ze een vinger zal uitsteken naar het adressenbeheer. Internet moet uit handen van regeringen blijven.

Daarmee is de discussie niet ten einde. Op de lange termijn zal de Amerikaanse regering macht moeten afstaan aan andere landen en het is het beste als dat langs geleidelijke weg gebeurt. Er moeten technische kwesties worden opgelost, zoals het gebruik van Chinees, cyrillisch of Arabisch schrift in adressen en de ontwikkeling van nieuwe communicatiestandaarden. Die zaken hebben geen baat bij politisering. Als de internationale onenigheid te groot wordt, dreigen er meerdere internetten naast elkaar te ontstaan. Internet is zo uniek omdat net als bij de post of de telecommunicatie de hele wereld daar zonder veel plichtplegingen op is aangesloten. Daar moeten de beheerders zuinig op zijn.