Gebrek aan vette vis maakt zeevogels te dom om te overleven

Gebrek aan voldoende vette vis kan de hersenontwikkeling van jonge meeuwen blijvend verstoren. Daardoor zijn zeevogelpopulaties nog kwetsbaarder voor klimaatverandering dan tot dusver werd aangenomen. Als uit de visgronden waarop meeuwen zijn aangewezen alleen de vette vissoorten wegtrekken kunnen vogels achterblijven met zo slecht ontwikkelde hersen dat ze letterlijk te dom zijn om zich in leven te houden.

Dat sinistere scenario wordt geschetst in de Proceedings of the Royal Society (Biological Sciences, FirstCite Early Online). De schrijvers doen dat met behulp van drieteenmeeuwen. In de zuidoostelijke Beringzee bij Alaska zijn de populaties roodpootdrieteenmeeuwen (Rissa brevirostris) rond de Pribilof eilanden sinds de jaren 1980 in een vrije val geraakt. Inmiddels zijn ze gehalveerd. Dat was reden voor biologen van de Universiteit van Alaska Fairbanks om onderzoek te doen naar de oorzaken. Ze hadden daar al wel een idee over: het instorten van de vogelpopulatie viel samen met een verminderde beschikbaarheid van vetrijke vissoorten door klimaatverandering. Andere vissen bleven wel voorradig.

Lukte het de jonge kuikens in deze situatie nog zulke kennisvaardigheden te ontwikkelen, dat ze een zelfstandig volwassen bestaan konden opbouwen? Zelden. Dat mag je vermoeden na het realistisch naspelen van de meeuwenopvoeding. Twintig jongen werden in gevangenschap veertien dagen opgevoed zoals dat vroeger hoorde, met een vetrijk dieet. Daarna, tot op een leeftijd van 47 dagen – de standaard uitvliegleeftijd – werd een groep vetarm opgevoed, terwijl de andere helft op het zelfde rijke dieet bleef. Door middel van aanvullende vitamine- en mineraal-preparaten werd verzekerd dat alleen het vetgehalte van de voeding hier varieerde. Tenslotte werden alle vogels weer tien dagen lang vetrijk gevoerd.

Ondertussen werden prille vogels allerlei cognitieve tests afgenomen. Ze kregen leertaken waarbij ze bijvoorbeeld de kleur van schalen moesten zien te koppelen aan de aanwezigheid van voedsel, en moesten hun talent voor ruimtelijke oriëntatie aantonen. De uitkomst was duidelijk: de luxe opgevoede jongen leerden deze taken tot in perfectie. De vetarm opgevoede vogels bleven daarbij ver achter. En die achterstand liepen ze ook niet meer in. Die vermogens spelen een grote rol in een actief vogelleven dat vaak ook een sterk beroep doet op flexibiliteit. De armelijk opgevoede vogels hadden veel hogere concentraties stresshormonen in de bloedbaan.

Een eenduidige conclusie is helaas nog niet mogelijk. De vetarm gevoerde vogels zijn bij het uitvliegen ook lichter en dat op zichzelf verlaagt al evenzeer de overlevingskans.