Dino-uitwerpselen wijzen op vroege evolutie van gras

Sommige dinosauriërs aten gras, al was het waarschijnlijk geen belangrijk bestanddeel van hun dieet. Dat concluderen paleontologen uit Zweden en India uit de vondst van resten van grassoorten in de gefossiliseerde poep van titanosauriërs die tussen 71 en 65 miljoen jaar geleden leefden in het midden van India (Science, 18 nov.). Grasetende dino's komen als een verrassing, omdat lang is gedacht dat de verspreiding van grassen over de wereld plaatshad na het uitsterven van dinosauriërs (65 miljoen jaar geleden).

De grasresten zijn microscopische stukjes siliciumoxide (fytolieten), elk kenmerkend voor een grassoort. De fytolieten passen bij moderne grassoorten (waaronder bamboeachtigen). Dat wijst erop dat de grassen zijn ontstaan in het Krijt (van 145 tot 65 miljoen jaar geleden) en dat de plantenfamilie tegen het einde van dit geologische tijdvak al tot een grote soortenrijkdom was uitgewaaierd.

Fytolieten (letterlijk plantenstenen) zijn kenmerkende afdrukken die ontstaan als in de plant siliciumoxide kritstalliseert die was opgelost in water dat wordt opgenomen. De moeilijk weg te kauwen deeltjes helpen planten in hun verdediging tegen planteneters. Caroline Strömberg van het natuurhistorisch museum in Stockholm kan niet zeggen waarom grasfytolieten uit het Krijt nooit eerder gevonden zijn. In een toelichting per e-mail oppert ze dat de condities voor het bewaren ervan in dino-uitwerpselen misschien uitzonderlijk goed zijn.

Volgens Strömberg en haar collega's werpt hun vondst een nieuw licht op de evolutie van grassen. Lang is gedacht dat deze familie zijn succes en diversiteit te danken heeft aan het feit dat zij zich met fytolieten en een afwijkende groeiwijze (vanaf de grond) als beste kon verdedigen tegen grote grazende zoogdieren. Die grazers evolueerden lang na het uitsterven van de dino's. Volgens Strömberg moeten grassen al in het Krijt zijn geëvolueerd in reactie op insecten of een andere natuurlijke vijand. Dat die natuurlijke vijand een dinosauriër was lijkt onwaarschijnlijk, omdat grassen in hun dieet niet erg belangrijk waren.

De tanden van titanosauriërs, grote dino's met een lange nek en plompe poten, waren net als die van andere dino's niet goed aangepast voor het eten van gras. In de uitwerpselen is maar een kleine hoeveelheid grasfytolieten teruggevonden, er zaten ook resten in van coniferen en (palm)varens.