De bergen storten in, de rivieren staan stil

Het boek van Dede Korkoet heeft een centrale held en het zit vol humor en ironie. Toch geldt het als nationaal epos van de Turken. Rik Boeschoten vertaalde het.

`IK WILDE Het boek van Dede Korkoet altijd al vertalen'', zegt Rik Boeschoten. ``Zoals de spin Sebastiaan in het gedichtje van Annie M.G. Schmidt per se het huis in wil om zijn web te spinnen, zo had ik in mijn kop gezet dat dit in het Nederlands moest verschijnen. Uit filologisch fanatisme ben ik toen ook maar een eigen teksteditie gaan maken van het orgineel.''

Deze teksteditie, die Boeschoten samen met een Turkse collega maakte op basis van de twee bestaande handschriften, verscheen in 2001 in Turkije. En nu ligt de Nederlandse vertaling in de boekhandel.

In zijn werkkamer aan de universiteit van Mainz, waar hij hoogleraar is in de turkologie, neemt Boeschoten uitvoerig de tijd om te vertellen wat hem in dit middeleeuwse Turkse boek intrigeert. We zitten op de rommelige zolder van wat ooit een officierswoning is geweest: de universiteit van Mainz werd na de Tweede Wereldoorlog door de Franse bezetters nieuw leven ingeblazen op het terrein van een kazerne. Boeschoten verdwijnt tijdens het gesprek herhaaldelijk in een keukentje om water op te zetten en vergeet telkens om er thee van te zetten.

``Het boek van Dede Korkoet is zo interessant'', vertelt hij, ``vanwege de verschillende lagen die erin zitten: het zijn in wezen pre-islamitische verhalen waar later een islamitisch sausje overheen is gegoten.'' De verhalen spelen in Oost-Anatolië, en worden verteld door de beroepsverteller & bard Dede Korkoet. Deze vertelt en bezingt de heldendaden van de `Ogoezen', nomadische stammen die vanuit Centraal-Azië het huidige Turkije (toen nog deel van het Byzantijnse Rijk) waren binnengedrongen. De Ogoezen waren de voorlopers van de huidige Turken, Azerbeidzjanen en Turkmenen.

De verhalen spelen in een denkbeeldige `gouden tijd', waarin `zonen hun vaders niet tegenspraken' en `stamgenoten nog oprecht waren tegenover elkaar'. Het zijn kleurrijke verhalen, heroïsch maar ook humoristisch en ironisch, met soms sprookjesachtige elementen erin. Ze bevatten thema's die we elders in de wereldliteratuur ook tegenkomen: de jonge held die zich moet bewijzen, de doodgewaande zoon die vermomd als verteller en muzikant terugkeert in het tentenkamp van zijn vader, het meisje dat zich als een jongen gedraagt, de aanbidders van de beeldschone prinses die onmogelijke proeven moeten doorstaan om haar te kunnen krijgen. De bundel bevat ook een opmerkelijk verhaal over een cycloop, dat lijkt op de cyclopenepisode in de Odyssee.

In Turkije wordt Het boek van Dede Korkoet vereerd als een werk dat veel zegt over de ware aard van de Turken. ``Het wordt door de wat nationalistisch gerichte collega's zeer ijverig bestudeerd'', weet Boeschoten. ``Er zijn symposia over. Het heeft een status die je van zo'n dun boekje met deze inhoud niet zonder meer zou verwachten.''

Toch kan ook hij zich niet aan de indruk onttrekken dat het werkje ``iets'' vertelt over de oorspronkelijke religie en wereldbeschouwing van de Turkse volkeren. Het eergevoel, de sterke familiebanden, de vrij onafhankelijke positie van de vrouw... Maar het is maar net waar je naar op zoek bent. ``Ik moet nu denken aan een lezing van de mediëvist Frits van Oostrom, over Van den vos Reynaerde: hij zei dat er juist in die Nederlandse versie al zulke typisch calvinistische trekjes zaten. Sommige zeer boertige zaken kwamen in de Nederlandse versie gewoon minder naar voren dan in het Franse origineel.''

De verhalen over de Ogoezen vormen geen epos: er is geen centrale held en er zit te veel humor en ironie in. Toch werd het boek door sommige Turken in de twintigste eeuw als een soort `nationaal epos' omarmd. Turkije kon toen wel een epos gebruiken. Boeschoten: ``Het Ottomaanse Rijk was, net als het Habsburger Rijk, geen nationale staat maar een dynastisch conglomeraat, waar misschien een bepaalde bevolkingsgroep wel de boventoon voerde, maar niet op basis van een nationale ideologie. Vooral in de negentiende eeuw braken er allemaal stukken van af: eerst Griekenland, daarna andere landen op de Balkan, allemaal op basis van een nationale ideologie. En je kreeg ook de confrontatie met de Armeense nationale ideologie. Tegelijkertijd begon zich in Turkije een eigen nationale ideologie te ontwikkelen, die in het begin nog islamitisch geöriënteerd was, maar gaandeweg meer etnisch-nationale trekken kreeg. Dus toen kreeg je dat ze de eigenheid van de Turk gingen benadrukken en wilden laten zien dat dat te verenigen was met de islam.''

Boeschoten: ``Dat gedachtengoed speelt nog steeds een rol. De zogenaamde Türk-Islam sentezi: de synthese van de Turkse identiteit en de islam. Rond 1900 schreef de socioloog Ziya Gökalp daar een boek over. Hij probeerde de Turkse eigenaardigheden te verenigen met de islam, en ook met de moderne tijd, waar Turkije dan definitief in terechtkomt. Zo wordt daar een onderscheid gemaakt tussen cultuur en beschaving. Je hebt je eigen cultuur, daar hou je aan vast, maar beschaving is wat anders, dat neem je over. Dus je neemt wel een trein, die wil je wel hebben, maar je neemt niet het christendom over. Of: je neemt een ijskast, maar je zet er geen wijn in.''

Ook in Azerbeidzjan is er tegenwoordig vanuit nationalistische hoek meer belangstelling voor Het boek van Dede Korkoet. ``Dat zit zo'', zegt Boeschoten. ``Er zijn twee handschriften, die allebei in Europa liggen: de een in Dresden, de ander in het Vaticaan. Hoe die twee samenhangen is een ingewikkelde kwestie. Er zijn veel overeenkomsten en veel verschillen. Bovendien is het zo dat ze een andere dialectachtergrond laten zien. In het Vaticaanse handschrift gaat het taalgebruik richting Istanbuls. Het Dresdener handschrift, dat veel uitgebreider is, is nogal Oost-Anatolisch gekleurd, dat gaat richting Azerbeidzjaans, een taal die verwant is aan het Turks. Je kan dus niet beweren dat het boek nou perse Turks of Azerbeidzjaans is. Het is in wezen een oudere taalvariëteit, die op zichzelf staat.''

De hoofdpersonen in Het boek van Dede Korkoet zijn `heren': nomadische aristocraten, die voortdurend enthousiast ten strijde trekken tegen de christelijke Georgiërs, die in stadjes wonen. ``Dat is een oud patroon'', zegt Boeschoten. ``Nomaden hebben melk, yoghurt, kaas en vlees. Maar ze hebben ook wel eens wat anders nodig. Grondstoffen, een leuk spiegeltje, textiel of weet ik wat. Dus zijn er altijd betrekkingen met de aangrenzende sedentaire wereld. Die zijn soms vreedzaam: handel; en soms gewelddadig: roof en plundering. Beide mogelijkheden kom je tegen in dit boek. Hoewel ze het liefst roven.''

In Het boek van Dede Korkoet lopen twee historische lagen door elkaar: enerzijds is er dit eeuwige conflict tussen nomaden en sedentairen, anderzijds zijn de Ogoezen in deze verhalen net tot de islam bekeerd en voeren zij strijd tegen de ongelovigen. Boeschoten: ``Zo tegen het jaar duizend waren veel Turkse stammen geïslamiseerd. Ze zaten toen nog in Centraal-Azië. Daarna volgde de krijg tegen de ongelovigen en de stapsgewijze verovering van Anatolië. In deze verhalen wordt dat op de Georgiërs geprojecteerd. Maar het eigenaardige is, als je naar de tekst zelf kijkt blijkt dat er helemaal geen Georgische leenwoorden in zitten, maar wel een heel aantal Armeense.'' Dat zou erop wijzen dat de verhalen ouder zijn dan de setting doet vermoeden. Hoewel het verhaal zich in Anatolië afspeelt, zijn er veel plaats- en persoonsnamen die verwijzen naar Centraal-Azië. De verhalen zijn dus in de loop der tijd aangepast, de plaats van handeling is verschoven van Centraal-Azië naar Anatolië.

De islamitische ingrediënten zijn er pas in een later stadium aan toegevoegd. God en `Mohammed met de mooie naam' worden voortdurend aangeroepen, de vijand is altijd een `ongelovige' (lees: christen) en als er weer eens een christelijk stadje geplunderd wordt, wordt de kerk gesloopt en wordt er een moskee gebouwd – waarna de nomaden overigens weer vertrekken. Maar verder gedragen ze zich niet zo heel islamitisch. Ze richten voortdurend drinkgelagen aan en de vrouwen bewegen zich met een onafhankelijkheid die je niet meteen met de islam associeert.

Sommige meisjes zijn net zulke goede paardrijders en vechters als de jongens. Dat leidt tot mooie romantische verwikkelingen, waar het publiek van zal hebben gesmuld, maar het zegt volgens Boeschoten ook iets over de positie van vrouwen in een nomadische samenleving: ``Ze spelen niet altijd een ondergeschikte rol. Integendeel, ze worden vaak als de betere helft voorgesteld. Ze zijn wat verstandiger dan de mannen, en ook vasthoudender.''

Niet erg islamitisch is ook dat God in een van de verhalen als sprekend personage wordt opgevoerd. De woordkeuze van God is bijzonder menselijk, als hij, boos over het gedrag van een der Ogoezen, een engel bij zich roept en zegt: ``Azrael, verschijn aan die dolle schoft en laat zijn gezicht verbleken. Laat zijn ziel het uitschreeuwen en neem die ziel mee.''

De Ogoezen hingen oorspronkelijk een natuurgodsdienst aan en hadden een sjamanistische cultus. Restanten daarvan zweven nog rond in de tekst. Zo zegt een moeder bij haar zwaargewonde zoon: ``De slaap heeft je zwarte geplooide ogen gesloten, open ze, wee! Je twaalf botten zijn door iemand uiteengerukt, zet ze weer aan elkaar, wee!''

``Een onbegrijpelijke passage'', zegt Boeschoten, ``als je niet weet wat daarachter zit. De moeder vergelijkt haar zoon met een leerling-sjamaan die door de 'sjamanenziekte' is geveld. De traditie wil dat de leerling ijlt tijdens het initiatieritueel. Hij droomt dan dat hij met kettingen in acht of negen stukken wordt uiteengerukt. Die stukken worden naar de onderwereld gebracht, gekookt en vervolgens weer aan elkaar gezet, waarna de ziel erin terugkeert.'' De moeder hoopt dat haar zieltogende zoon net als de leerling-sjamaan weer naar het leven terugkeert.

Volgens Boeschoten zouden ook de vele verwijzingen naar de natuur gezien moeten worden in het licht van die vroegere natuurgodsdienst. ``De personages identificeren zich met de natuur. Die berg waar je je kudde op weidt, dat ben je in zekere zin zelf. En als het mis gaat met jou, dan gaat het ook mis met de natuur. De bergen storten in, de bomen vallen om, de rivieren staan stil en de planten houden op met groeien.''

In de verhalen wisselen proza en poëzie elkaar voortdurend af. De handeling wordt verteld in proza: direct en met vaart. De dialogen daarentegen voltrekken zich in een zeer omslachtige poëtische stijl, met veel metaforen erin. Boeschoten: ``Die structuur is met name in Iran en Centraal-Azië heel gebruikelijk, en ook bij de Turkse volkeren die daar direct omheenwonen. Het is de techniek van de `asjik': de verhaallijn wordt verteld, maar de dialogen worden gezongen en daarbij begeleidt de asjik zichzelf op de langhalsluit.''

De poëtische passages hebben ook iets bezwerends: ze zitten vol parallelle zinnen en vol herhalingen. ``Ja'', zegt Boeschoten. ``Dat heeft mogelijk te maken met een traditie van beurtzang, die ook heel sterk is.''

Opvallend zijn de epitheta: de vaste bijvoeglijk naamwoorden of bepalingen die bepaalde zelfstandig naamwoorden altijd vergezellen. Als de heren hun tenten neerzetten, is dat altijd op `zwarte' grond, de rivieren en beken zijn altijd `bloedrood' (vanwege de oevers), de ongelovigen zijn altijd `zwartgerokt', en als mannen hun echtgenote toespreken, doen ze dat altijd zo: `Jij die ik zie als ik mijn ogen open'.

De verhalen beginnen en eindigen meestal met dezelfde passages. Dialogen herhalen zich nogal eens, soms zelfs bladzijden lang. Wat is de functie van al die herhalingen, die de hedendaagse lezer niet altijd kunnen boeien? ``Dat is een beetje de techniek van de man die het voordraagt: herkenbaar voor het publiek, en makkelijk voor hemzelf. Daar zijn allerlei theorieën over. Er zijn onderzoekers, die hebben gekeken naar de techniek van Servische barden, hoe die hun epiteta inzetten. Die barden zijn ervan overtuigd dat ze altijd hetzelfde vertellen, maar als je kijkt wat ze echt doen, dan hangen ze de zaak op aan een aantal vaste elementen, waaronder die epitheta, en daarop variëren ze iedere keer weer.''

Het boek van Dede Korkoet. Vertaald, geannoteerd en uitgeleid door Rik Boeschoten. Uitgeverij Bulaaq. 256 pag. €16,50.