De bedoeïen in me heeft woestijn nodig

`Mijn kamelen staan zelfs in mijn paspoort. Dat is gebeurd bij de grensovergang tussen Turkije en Iran. Ik was gedeeltelijk komen lopen vanuit Syrië en op weg naar Iran, waar mijn man op dat moment gestationeerd was. Daar stond ik, een Nederlandse vrouw met vier kamelen, een vrachtwagen, een Syrische chauffeur en een hond. Ze dachten dat ik gek was. Uiteindelijk besloot de Iraanse douanebeambte de kamelen en de hond maar in te schrijven in mijn paspoort. Daar was ik blij mee. Zo had ik direct officiële papieren voor de kamelen.

Ik had nooit gedacht dat ik met een Shell-man zou trouwen, een man zou volgen naar het buitenland. Een beetje theedrinken op feestjes in de tropen. Het leek me vreselijk. Toen ik op Robert verliefd werd, konden mijn vriendinnen het niet geloven. Maar ik ben nooit een echte Shell-vrouw geworden, dat is duidelijk. De hele expat-scene, ik bemoei me er niet mee. Veel van die mensen kijken neer op de `lokalen', maar ik voel me juist heerlijk bij hen. Wij westerlingen kunnen zoveel van ze leren.Het begon 25 jaar geleden, op een souk (bazar) in Oman. Mijn man was op zijn eerste post in het buitenland. Bedoeïenenvrouwen keken me aan vanachter het masker dat ze dragen. Die priemende ogen intrigeerden me. Zij keken naar mij, naar mijn oudste zoon Jasper en zijn kale babyhoofd. Dat is heel ongewoon daar, alle kinderen hebben dikke bossen haar. Er was meteen een mysterieuze band. Ik vroeg de vrouwen een masker voor me te maken. Zelf heb ik een klein tasje voor ze gemaakt. Toen we ruilden, maakte een van hen een plattegrondje waarmee ik hun stam in de woestijn kon vinden.

Ik bezocht ze een keer, en later steeds vaker. De Al Jenaibah-bedoeïenen. Ik voelde me er thuis. Uiteindelijk maakte ik veel vrienden binnen de stam. Op een dag namen ze me mee naar de moskee waar ik door de stam werd geadopteerd. Ik ben geen moslim geworden maar wel een bedoeïen. Mijn tweede naam is nu Sjeikha Layla Bint Yasser.

Ik heb altijd contact gehouden met mijn stam. Als ik ze bezoek, draag ik een lange jurk, hoofddoek en een gezichtsmasker. Zo doen echte bedoeïenen het ook. Het is een symbool van hun identiteit.

Mijn eerste kameel kreeg ik van de stam. Het was een baby en die kunnen enorm huilen. Ze hebben echte tranen. Ik was direct verkocht, maar Robert zag het niet zitten om een kameel in de achtertuin te hebben. De kameel bleef bij de stam, maar ik wist: ooit zou ik een kameel bezitten. Een kameel is het hart van de bedoeïen.

Na acht jaar Oman volgden Stavanger, Londen, en weer het Midden-Oosten, Damascus in 1997. Daar heb ik eindelijk mijn zin doorgedrukt. Robert ging akkoord. Hij houdt van me. Ik had gehoord dat er een moeder en een baby te koop waren. Samen met Syrische vrienden ging ik naar de kamelenbazaar. Als de kamelen de verkopers zagen, stoven ze uiteen, maar mij begonnen ze te besnuffelen, aan me te ruiken.

Tussen alle dieren vond ik een pasgeboren kameel. Ze was nog nat. De moeder was prachtig, een witte kameel, die wilde ik eigenlijk kopen. Maar de verkoper was de baby al voor me aan het optillen. Ik heb ze allebei gekocht. Omdat ze voor de slacht waren, ging de prijs per kilo. Uiteindelijk heb ik ongeveer 900 dollar betaald voor mijn eerste twee kamelen, moeder Zubeida en dochter Sheba. Zubeida was laatst weer zwanger maar ze heeft een miskraam gehad. Ze droeg een tweeling, héél ongewoon voor kamelen. Ik hou zoveel van ze. Ze zijn mijn familie.

Ik was al lang van plan eens met de kamelen een oude handelsroute te lopen. In 1999 werd Robert naar Teheran overgeplaatst. Bij mij werd borstkanker geconstateerd. Toen ik dat hoorde, besloot ik met de kamelen van Damascus naar Teheran te lopen. Na een behandeling in Londen vertelde ik mijn arts over mijn plan. Hij dacht dat ik gek was, maar ik zag het als een inspiratie om de kanker te verslaan.

Als je loopt, ontmoet je de meest fantastische mensen. Je bent je veel meer bewust van je omgeving dan wanneer je er met een auto doorheen raast. Zestienhonderd kilometer is lang. Ik kocht nog twee nieuwe kamelen, Zenobia en Zahra. Zij zijn wit, rustiger en hun haar is zachter. Nu zijn ze zwanger. Samen met een vrachtwagen en Syrische chauffeur begonnen we aan de reis. Mijn man heeft me de eerste maand vergezeld. Mijn kinderen hebben ook meegelopen.

In de bergen hebben we de kamelen in de vrachtwagen gedaan. Zubeida heeft hoogtevrees. Het is ook niet goed voor hun gewrichten om in de bergen te lopen. Onderweg heb ik veel geleerd over verzorging van de kamelen, en over mensen. Eenmaal in Teheran wilde ik eigenlijk niet stoppen met lopen.

Ik sta bekend als `de kamelenvrouw'. In mijn huis is alles kameel. Beeldjes, asbakken, schilderijen. Ik drink twee liter kamelenmelk per dag. Heerlijk en gezond. Kamelenmelk is goed tegen kanker en zit vol vitamine C. Misschien vinden sommige mensen me gek, maar ik hou van avontuur. Dit is hoe ik ben.

Soms heb ik het gevoel dat ik in een eerder leven een bedoeïen was, dat ik in het verkeerde land ben geboren. Boven alles wil ik niet stil zitten. Ik wil mensen helpen, dingen doen. Mijn kamelen zijn ook een manier om me in te zetten voor anderen. Mijn tweede voetreis met de kamelen stond in het teken van een hulpactie voor een Palestijns ziekenhuis. De `karavaan van de hoop' heb ik het genoemd. We gingen van Teheran naar Oman. De sponsors betalen mee aan de bouw van een ziekenhuis voor Palestijnen. Ook wilde ik aandacht geven aan borstkanker.

Zeven maanden heb ik door Iran, de Verenigde Arabische Emiraten en Oman gelopen. Vierduizend kilometer. Er gebeurde van alles, de kamelen werden soms hysterisch, mijn been was ontzet en de volgauto kreeg een ongeluk. Overal werden we aangehouden door de politie. Maar geen haar op mijn hoofd die eraan dacht om te stoppen.

Ik wil westerse mensen laten zien dat in het Midden-Oosten ook positieve dingen gebeuren. Gastvrijheid zoals hier vind je nergens. Ik zou willen dat mensen eens verder keken dan wat ze op televisie zien. Het is hier veilig, mensen zijn heel erg aardig. Mensen kwamen me eten brengen tijdens mijn tochten, ze gaven me onderdak. Iedere dag maakte ik nieuwe contacten. Het was fantastisch.

Een paar keer heb ik vrienden meegenomen naar mijn stam. Dat doe ik niet meer. Ze maken fouten, begrijpen dingen niet. Dat is soms beschamend. Ik blijf liever op mezelf. Ik spreek Arabisch, ken hun gebruiken. Ik voel me een van hen. En ik wil daar niet komen als een soort reisgids, ik wil geven, niet nemen.

Nog een paar jaar en dan gaat Robert met pensioen. Ik denk niet dat we teruggaan naar Nederland. Die koeien schrikken zich dood als ze mijn kamelen zien. Door de kamelen kunnen we ook eigenlijk niet weg hier. Holland is ook veranderd. Ik voel me er niet meer thuis, mijn halve leven heb ik in het buitenland gewoond. Dan is Nederland wel klein, en vol. De bedoeïen in me heeft woestijn nodig.'

Wilt u reageren? Stuur uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam