Dalrymple doet zelf ook aan het `zij-wij'denken

Geheel in de stijl van zijn laatst verschenen boek `Leven aan de onderkant' (2004) fulmineert Theodore Dalrymple in Opinie & Debat van 12 november, tegen de Franse verzorgingsstaat. Die zou de rellen in de Franse voorsteden in feite aan zichzelf te danken hebben. Zachte heelmeesters maken immers stinkende wonden. Al jarenlang houdt de Franse verzorgingsstaat de jongeren de hand boven het hoofd door hen een werkloosheidsuitkering toe te kennen. Dalrymple vindt dat zij hier niet mee geholpen zijn, integendeel, zij raken er juist door verlamd. De jongeren bevinden zich als het ware in de houdgreep van de verzorgingsstaat en zijn daardoor krachteloos. Hun gevoelens van minderwaardigheid zijn hierop terug te voeren.

Om de bestaande verhoudingen te doorbreken, stelt Dalrymple dat het nodig is om de arbeidsmarkt te liberaliseren. Daar voegt hij echter meteen aan toe dat als hij zelf in de positie van werkgever zou zijn, hij de jongeren uit de voorsteden niet graag zou aannemen. Met deze opmerking toont hij op voorhand al het manco van zijn oplossing aan. Bovendien laat hij zich zo ook wel erg kennen. De jongeren zijn voor hem allemaal hetzelfde. Ze zijn gemakkelijk te herkennen: ze gebruiken drugs, dragen gouden kettingen en zijn allemaal in het bezit van mobieltjes, gameconsole, Adidas- of Nike schoenen. Dalrymple doet helemaal mee met het door hem bekritiseerde `zij-wij' denken waarin de jongeren in de Franse voorsteden voor `tuig' worden uitgemaakt. Deze houding leidt, zoals we hebben kunnen merken, alleen maar tot polarisatie en verharding.

Dalrymple vraagt zich af waarom de stem van de vrouw uit de Franse voorsteden niet of nauwelijks doorkomt in de media. Hij is ervan overtuigd dat zij, als slachtoffer van het machismo in de voorsteden, hem zal bijvallen. Misschien zou Dalrymple de getuigenis en analyse van Fadela Amara eens moeten lezen. In 2003 was zij de katalysator van de Franse beweging `Ni Putes Ni Soumises' tegen het geweld tegen vrouwen in de Franse voorsteden. Amara heeft in tegenstelling tot Dalrymple juist kritiek op de afbouw van de verzorgingsstaat. Zij is van mening dat de overheid niet minder, maar meer moet doen voor de voorsteden.

Terwijl Dalrymple jongeren erop wijst dat respect geen primair mensenrecht is, maar een toekenning die je moet verdienen, laat Amara de andere kant van de medaille zien. Keer op keer worden de mensen in de voorsteden hard aangepakt vanwege hun huidskleur of vermeende afkomst. Zij hebben last van discriminatie en voelen zich buitenstaanders. Haar programma stelt in de eerste plaats een bondgenootschap voor tussen overheid en de mensen in de voorsteden. Een investering door beide partijen, zowel in termen van financiën als van vertrouwen. Geen gemakkelijke weg, maar wel één waarin beide `partijen' op hun verantwoordelijkheid en gedrag worden aangesproken.