Brieven van een landverhuizer: de ziel is verdwenen

Deze week ging ik met Archibaldo (de naam die zijn vrienden hem hebben gegeven), een Hongaarse psychologiestudent die een afstudeerscriptie over `gelukkig oud worden' schrijft, naar Transsylvanië. Archibaldo kijkt opgetogen om zich heen, naar de immense verroeste fabrieken, naar de wrakke Dacia's, naar de vervallen huizen, naar de ossekarren, naar de paarden die los galopperen in de berm.

,,Het maakt me weemoedig. Dit is Hongarije vijfentwintig jaar geleden'', zegt hij: ,,Dit is het landschap van mijn vroege jeugd.''

We stoppen net over de grens op een oerlelijk plein aan de rand van Oradea. Rommelige jaren zeventig flats, op de begane grond kleine, kale winkeltjes met weinig spullen. Aan een loket kopen we zoete broodjes. Ik betaal met een onverscheurbaar biljet van een half miljoen lei. De trottoirs puilen uit van de zich te voet verplaatsende mensen.

,,De ziel is weg in Hongarije, de saamhorigheid. Mensen zijn materialistisch geworden'', zegt Archibaldo: ,,De gemeenschappelijke vijand is verdwenen. Het communisme dwong je subtiel met taal om te gaan, dingen omfloerst te zeggen. De humor was subtiel en alom.''

De zijwegen die op het plein uitkomen zijn onverhard. Een lage mist hangt in de straten. Fijn stof, als in Afrika. Vooral bij het vallen van de avond geeft dat een bijna romantische atmosfeer. De geur van bruinkool en houtsvuur. Precies zoals het in Boedapest rook vijftien jaar geleden, toen ik daar steeds verliefd heen reisde. Het is die geur die mij weemoedig maakt. Het is ook kouder in Roemenië, zo'n ouderwetse kou die in de botten gaat zitten.

,,Wat is dat: de ziel is weg?' vraag ik: ,,Wat is het verschil tussen Hongarije nu en vijftien jaar geleden?''

,,De armoede. We hadden niks, maar er was grote verbondenheid. Er is meer afstand gekomen. Mensen zijn diplomatiek geworden. Vroeger waren mensen gewoon bot, dan wist je tenminste wie een zak was.''

We rijden door Heudin, niet ver van de grens. Langs de weg staan kasten van huizen, vier, vijf verdiepingen hoog met daken van glimmend metaal. Archibaldo weet niet wie verantwoordelijk is voor deze kruising van pagode, orthodoxe kerk en suikertaart. De lage middagzon reflecteert in de zilveren daken. De bakbeesten zijn, op een of twee na, onaf. Een stuk of tien van deze extatische Pablo Escobar paleizen staan er aan weerszijden van de weg.

,,Dit moet het werk van smokkelaars zijn. Dit is te gek.'' Suiker, sigaretten, benzine, wapens, heroïne, porno, suist het door mijn hoofd. Op de vluchtstrook staan oude kromme vrouwtjes met grote manden te liften.

In Hotel Agape in Kolozsvár heeft men niet met de ruimte hoeven woekeren. Er zijn vijf eetzalen. Waar in een gemiddelde hotelkamer alles klein is, is hier alles groot: een joekel van een televisie, een prullenbak waar een hele vuilniszak in past, een king-size ijskast. Het meubelstuk aan het voeteneinde van het bed dat televisie en ijskast herbergt, heeft de omvang van een hotelbadkamer elders ter wereld.

Een week eerder was ik met mijn gezin in Londen in Hotel One Aldwych. Het is een van de tophotels van Londen, als je arriveert word je uit de taxi stappend al begroet met `Welcome mister Sjolten'. In het zwembad klinkt muziek die alleen onder water hoorbaar is. Dat soort perfectie waardeer ik. Een suite kost ongeveer 20 euro per vierkante meter per nacht. De kamer in Kolozsvár die gemaakt lijkt om mij het gevoel te geven een dwerg te zijn, kost ongeveer een halve euro per vierkante meter per nacht. In de badkamers in One Aldwych zat een miniscule televisie bevestigd, op een verstelbare arm naast de wastafel. In bad naar voetbal kijken ervoeren de kinderen wel als het mooiste van het hotel. Het is natuurlijk in eerste plaats economisch gestuurd dat in het Westen de dingen kleiner worden en in het Oosten groter. Een vierkante meter in Londen is veertig keer zoveel waard als een vierkante meter in Kolozsvár. Maar het is ook psychologisch: in Oost Europa vindt nu de groei plaats.

Op de stoep van restaurant Hubertus staan schuin naast elkaar twee splinternieuwe Porsche terreinauto's geparkeerd, een zilveren en een zwarte. Behalve hert en wild zwijn staat er beer op de kaart van Hubertus. Aan een lange tafel zit een grote groep jonge Roemeense ondernemers met de lokale stoten. Het gezelschap glimt van de nieuw verworven rijkdom. De mannen hebben de irritante zelfgenoegzame blik van mannen die het gemaakt hebben en de korte haardracht, grote horloges en wijde pakken die mij op mijn hoede doen zijn. Ik sluit niet uit dat als ik iets te lang naar de luidruchtige groep staar er één zal opspringen om een ballpoint in mijn strottehoofd te rammen.

Enkele uren eerder waren we vijftig kilometer van Kolozsvár in het afgelegen bergdorpje Magyarvalko. De huizen zijn gebouwd van rotsen en hout. De nacht is er pikkedonker, om vier uur 's middags valt er de avond. In een garagebox, half in de berg, was een winkeltje annex bar. Aan het plafond hing één gloeilamp, verwarming was er niet. Ieder woord werd vergezeld door een wolkje. De armoede straalde van alles af. Op de houten stoelen zaten twee mannen. De vrouw achter de balie had een vierkant hoofd, lichte baardgroei en aardige ogen.

We vroegen een glas zelfgestookte pálinka. Dat moest gehaald worden, maar haar man was nog met de beesten bezig. Het dorp is Hongaars. Om te midden van de Roemenen Hongaars te horen geeft zelfs mij een gevoel van thuiskomst. Het was me inmiddels al opgevallen dat in het algemeen de beste Hongaren – dat wil zeggen: betrouwbaar, recht door zee, met een goed soort trots – afkomstig zijn uit Transsylvanië.

,,Hoeveel verdient men gemiddeld per maand in het dorp?'', vroeg ik.

,,100 euro, maar dan moet je wel dag en nacht werken en in Heudin zijn. Hier is geen werk. Er komen hier geen bussen meer. Iedereen moet liften.''

,,En van wie zijn die enorme huizen in Heudin met die zilveren daken?''

,,Van zigeunerclans die door heel Europa trekken: Frankrijk, Duitsland, Nederland, en overal geld bij elkaar halen. De clankoningen, de Vajda's, bouwen in Heudin hun paleizen.''

De gezichten zijn doorleefd, de kleren versleten en er wordt veel gezwegen in het café, maar in de ogen van alle oude Hongaarse mannen die om de beurt binnenschuiven zit een berustende, vrolijke twinkeling – stof voor Archibaldo's scriptie. Hier zou ik elke middag een pálinka naarbinnen willen slaan. Terwijl ik in ieder opzicht een leven leid dat lichtjaren van deze mensen verwijderd is, voel ik een zeldzame verbondenheid. Deze mensen hebben iets dat wij verloren zijn.

jaap@scholten.hu