Bos op stelten

Na de tsunami van 26 december vorig jaar zijn mangrovebossen wel de `dijken van de tropen' genoemd. Maar ze overal aanplanten als kustbescherming heeft geen zin, zeggen biologen.

DE WESTKUST van de Indonesische provincie Atjeh is door de tsunami van december 2004 onherkenbaar veranderd. Niet alleen zijn hele steden en dorpen weggevaagd door de vloed, de afstand van de bergen tot de branding van de Indische Oceaan is bijna een kilometer korter geworden. De honderden meters dikke haag van kokospalmen tussen het strand en de lagune is verdwenen. Hier en daar resten wat stompen, dat is alles.

De tsunami heeft behalve de klapperbomen ook een grote oppervlakte aan mangrovebos verwoest. Dat stond niet met zijn wortels in zee, maar in brakke lagunes, van de oceaan gescheiden door een brede strandwal met her en der openingen naar zee. De eerste golf van twaalf meter hoog die tegen de westkust beukte, raakte de kokospalmen, die als luciferhoutjes braken of werden ontworteld en meegesleurd. Dat ook het erachter liggende mangrovebos sneefde, komt omdat dit al ernstig was aangetast. Duizenden hectaren waren de voorgaande jaren geofferd aan vis- en garnalenkwekerijen.

Volgens het Indonesische ministerie van bosbouw zijn langs de getroffen kust van Atjeh 350.000 hectaren mangrove in de vloed verdwenen. Minister Malam Sambat Kaban kondigde in april aan dat de regering van plan was om in vier jaar 150.000 hectare aan Atjehs kust te herbeplanten met mangroven. Binnen tien jaar moeten de nieuwe bomen volgroeid zijn. Kaban meent dat heraanplant van mangroven de gevolgen van een toekomstige tsunami zal helpen verminderen. Volgroeid, gezond mangrovebos zou een deel van de energie van een vloedgolf absorberen. Maar deskundigen vinden het vertrouwen van de minister in de beschermende werking van mangrovebos te onvoorwaardelijk. Het vóór de vloed bestaande mangrove-areaal heeft niet veel Atjese levens gered.

``Het massaal aanplanten van nieuwe mangrovebossen langs de kusten als bescherming tegen tsunami's heeft geen enkele zin als er geen rekening gehouden wordt met ecologische factoren,'' zegt hoogleraar Nico Koedam van de Vrije Universiteit van Brussel. Koedam is hoofd van de Mangrove Management Group, waarin hij samen met postdoc Farid Dahdouh-Guebas al jaren onderzoek doet aan mangroven. Mangroven stellen als levende systemen specifieke eisen aan hun omgeving, zeggen Koedam en Dahdouh-Guebas, en gedijen daarom lang niet overal. Koedam: ``Zo moeten er koraalriffen, zandbanken of eilanden voor de kust liggen die de mangroven beschermen tegen directe golfslag. Mangroven zijn bestand tegen zout water, maar er moet ook een aanvoer van zoet water, boven- of ondergronds, zijn. Kortgezegd hebben mangrove-aanplanten vaak alleen een kans op plaatsen waar voorheen ook mangrove heeft gestaan. Daarom is onderzoek naar de historische verspreiding van mangroven heel belangrijk.''

krimpend areaal

Mangrovebossen staan wereldwijd ernstig onder druk. Vijftig procent van het oorspronkelijke mangrove-areaal is in de tweede helft van de twintigste eeuw verloren gegaan, zo blijkt uit een inventarisatie uit 2002 door bioloog Daniel Alongi van het Australian Institute of Marine Science. Volgens Alongi staat er nog slechts 181.000 km² mangrove overeind. En afhankelijk van het gebied waarnaar je kijkt, krimpt het areaal elk jaar verder met 1 tot 20 procent. Koedam: ``Dit is nog een conservatieve schatting, want destijds is grofweg op basis van satellietbeelden gekeken. Daardoor is er te veel kustvegetatie tot mangrove gerekend. Bijvoorbeeld velden met de mangrovevaren worden vaak meegeteld als mangrove, maar deze varens komen ook buiten de echte mangrovebossen voor.''

In Azië is heel veel mangrove gekapt om ruimte te maken voor lucratieve garnalenkwekerijen. Het cynische is dat vele kwekerijen nog steeds van de mangroven afhankelijk zijn voor de leverantie van eierdragende vrouwtjes. Het is voor de meeste kwekerijen commercieel niet haalbaar de garnalen zich in de kunstmatige vijvers te laten voortplanten.

Beschermen mangroven tegen een tsunami? Volgens Dahdouh-Guebas en Koedam is op die vraag geen universeel antwoord te geven. ``Het hangt geheel af van de energie die de vloedgolf ter plaatse heeft. En dat hangt weer af van de vorm van de kust en hoe de zeebodem oploopt naar de kust.'' Het effect is als dat van een poreuze dijk, leggen zij uit. ``Het mangrovebos haalt de verwoestende energie uit een tsunamigolf, maar overstroming van het achterliggende land houdt het niet tegen.''

Afgelopen zomer publiceerden de Brusselse mangrovedeskundigen en hun lokale partners een voorlopige balans van de schade die de tsunami heeft aangericht in mangrovebossen in Sri Lanka (Current Biology, 21 juni). Hun conclusie is dat mangroven inderdaad bescherming geven aan het achterliggende land, maar alleen dan als het bos nog intact is. De 24 lokaties die zij onderzochten lagen in het zwaarst getroffen deel van Sri Lanka. Hier vielen meer dan 20.000 slachtoffers, ruim 80 procent van het totaal aantal tsunamidoden in Sri Lanka.

De meeste mangrovebomen bleken na de tsunami nog overeind te staan. De mangroven aan de rand van het bos hadden de meeste schade. Mangroven die langs kreken stonden hadden bladschade, maar minder dan een maand na de vloedgolf ontsproot er al nieuw blad. Dat gold althans voor de intacte mangrovebossen.

De situatie in gedegradeerde bossen was totaal anders. Vooral in bossen met zogeheten `cryptische degradatie' was de schade groot, met een slagveld van totaal ontwortelde bomen. Op deze plekken heeft het echte mangrovebos met bomen deels plaatsgemaakt voor grassen en varens. Dat blijkt funest voor de weerstand tegen reuzengolven.

Eind vorige maand (28 oktober) verscheen er in Science een kort artikel van andere onderzoekers die een soortgelijk onderzoek naar de schade bij mangroven na de tsunami hadden gedaan, ditmaal bij Cuddalore in Tamil Nadu, India. Ook zij kwamen tot de conclusie dat intacte mangroven bescherming bieden tegen een tsunami. Daarnaast concludeerden zij dat ook plantages met Casuarina, die iets verder op het land staan en geen mangroven zijn, bescherming bieden tegen vloedgolven. Kustdorpen gelegen in de plantages hadden slechts beperkte schade, terwijl dorpen daarbuiten volledig verwoest waren. Dorpen verder landinwaarts achter de mangrove bleven gespaard.

Dergelijke positieve ervaringen hebben het vertrouwen in de beschermende werking van mangrove vergroot. Indonesië heeft in april 22 miljoen dollar van de hulpgelden uitgetrokken voor het heraanplantprogramma.

Het district Leupueng, aan de Indische Oceaankust van het regentschap Groot-Atjeh, is volledig kaalgeslagen door de tsunami; van de huizen en infrastructuur is niets meer over. De strandwal is veel smaller geworden en de langwerpige lagune, die wordt gevoed door de rivier Sara, ligt nu vlakbij zee. Van de mangroven in deze lagune is niets meer over. Hier en daar liggen nog zwart geworden resten van de enorme luchtwortels.

Nadat minister Kaban in april zijn ambitieuze herbebossingsplannen had bekendgemaakt, heeft de internationale humanitaire organisatie Oxfam in Leupueng de heraanplant van mangrove gefinancierd en begeleid. In juni hebben dorpelingen die de vloed hadden overleefd in Leupueng eenvierde van de bevolking onder leiding van een Oxfambioloog 110.000 zaden geplant van de variëteit Rhizophora mucronata (rode mangrove). Het zaad kwam uit het regentschap Oost-Atjeh, aan de Straat van Malakka, waar deze soort goed gedijt. Oxfam had eind augustus in het hele regentschap Groot-Atjeh 1.003.000 mangrovezaden uitgezet.

In oktober stond de jonge mangroveaanplant in Leupueng er niet goed bij. Syamsul, een jonge dakloze uit het verwoeste dorp Meunasah Bak'U, hielp planten en vertelt wat er daarna gebeurde: ``Toen het in juli begon te regenen, steeg het water in de lagune razendsnel en kwam de vlakte blank te staan. Vroeger werd het water van de Sara via twee openingen afgevoerd naar zee. Eén daarvan is door de tsunami dichtgeslibd, zodat de eerste regens al meteen tot overstroming leidden. We hadden de mangroveplantjes opgebonden aan bamboestokjes, die in het zand waren gestoken, maar de meeste waren niet hoog genoeg opgeschoten om uit te komen boven het wassende lagunewater en zijn verdronken. Meer dan de helft van de zaailingen in Leupueng is intussen dood.''

eenheidsworst

Dat mangrovebossen ondoordacht worden aangeplant als kustbescherming en vervolgens doodgaan, is zonde van het geld, maar het kan ook op termijn ongewenste gevolgen hebben, waarschuwt Koedam. ``Ik vraag mij af in hoeverre men in Atjeh rekening houdt met genetische vervuiling. Als je nieuwe mangrove gaat aanplanten moet je acht slaan op de lokale genetische samenstelling van het mangrovewoud en niet overal eenheidsworst gaan uitpoten. Dat zou een ecologische ramp zijn. Ik weet niet of dit ook daadwerkelijk gebeurt in Atjeh, maar gezien de schaal waarop men aan het planten wil slaan, moet ik het ergste vrezen.''

Ook al is aan alle ecologische voorwaarden voldaan, dan nog mislukt het aanplanten van nieuwe mangrove vaak, door onbegrepen oorzaken. Toch zijn er mensen die het wel in hun vingers hebben, zoals de Keniaanse bioloog James Kairo, met wie Koedam en Dahdouh-Guebas samenwerken. Hij begon tien jaar geleden met de aanplant van mangroven in Gazi Bay, Kenia, op plaatsen waar ze door houtkap waren verdwenen. Kairo begon met aanplantingen van telkens één soort op de juiste plek, waaronder Rhizophora mucronata, nota bene één van de kwetsbaarste mangrovebomen. De tien jaar oude aanplanten, begonnen als monocultuur, bevatten nu vier soorten mangrove die er door spontane kolonisatie zijn gekomen. Het jonge bos heeft ook al heel veel krabbensoorten aangetrokken die zich er blijvend hebben gevestigd.

Volgens Koedam en Dahdouh-Guebas is een van de sleutels tot het oplossen van het aanplantingsprobleem het inventariseren van plekken waar vroeger ook al mangroven hebben gestaan. Zij proberen op diverse manieren inzicht te krijgen in de historische verspreiding. In Kenia is Dahdouh-Guebas begonnen met grondboringen tot zes meter diep om te zoeken naar historische sporen van mangrovewoud, op een tijdschaal van millennia. ``In de bodemprofielen zullen we zoeken naar bijvoorbeeld diatomeeën, kiezelalgen, die aangeven of het milieu ter plaatse uit zoet of zout water bestond. Ook stuifmeelkorrels kunnen ons vertellen of er mangroven groeiden.''

Een andere belangrijke bron vormen interviews met de plaatselijke bevolking. Dahdouh-Guebas: ``In de gesprekken vragen we niet rechtstreeks naar de mangrove, maar we leiden het vroegere bestaan ervan af uit verhalen over het voorkomen van een bepaalde vis of een verhaal dat mensen vroeger hun was deden in de lagune, een aanwijzing dat er destijds zoet water was. De indirectheid en spontaniteit maakt de interviews tot een onverdachte bron.''

Het meest tot de verbeelding spreekt de reconstructie op basis van oude kaarten van koloniale mogendheden. De Brusselse biologen publiceerden dit voorjaar samen met lokale partners over de oorspronkelijke verspreiding van mangrovebos op Sri Lanka, aan de hand van oude zeekaarten van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (Current Biology, maart). Dahdouh-Guebas: ``Mangrove werd in die tijd haast nooit als zodanig op de kaarten aangegeven. Dat komt maar heel zelden voor. De oudste kaartvermelding van mangrove die wij kennen is van een kaart uit 1816, dat een mangrovebos aangeeft in Gambia.

``Meestal moesten wij uit andere elementen op de kaart afleiden dat er een mangrovebos stond. Mangrovebos had voor de kolonisten geen enkele waarde, dus dat kwam dan ook niet op de kaart. Uit aanduidingen als `sout pan', `versch water' of een ingetekende zandbank leiden wij dan af waar een mangrovebos gestaan moet hebben.''

Ook particuliere organisaties uit Indonesië zelf hebben zich gestort op de heraanplant van mangrove in Atjeh. Zij hebben geen taalprobleem en luisteren goed naar de plaatselijke bevolking. Minha Husaini, die een graad heeft in de gezondheidskunde van de University of Southern California, is verbonden aan Gemma 9. Die jongerenorganisatie stuurde kort na de tsunami vrijwilligers naar Atjeh om te helpen bij het bergen van lijken, uitdeling van voedsel aan ontheemden en het slaan van waterputten. Gemma 9 werkt met geldelijke steun van Oxfam mee aan het herbebossingsprogramma voor Atjeh.

In het district Lhoong, bezuiden Leupueng, spreken dorpelingen met waardering over Gemma 9. Vrijwilligers hebben in zes dorpen van het district 20.000 mangrovezaailingen uitgezet en daar moeten nog 10.000 bijkomen. Gemma 9 plant, behalve Rhizophora ook de soort Avicenna (gele mangrove). ``Om ecologische schade te voorkomen'', zegt Minha, ``planten we op dezelfde locaties waar eerder mangrove groeide.'' Het plantplan wordt pas opgesteld na uitvoerige gesprekken met overlevende dorpelingen.

Minha erkent het risico van verdrinking van de jonge aanplant: ``Onze zaailingen zijn al twee maanden oud als ze worden uitgezet en hun lengte varieert dan van 30 tot 60 centimeter. Dat is voldoende om een hoge zeewaterstand het hoofd te bieden. Het is onze ervaring dat de mangrove juist gedijt tijdens de westmoesson, als de wind uit zee waait, want hun wortels moeten regelmatig worden gedrenkt met zout water. Waar de uitgangen van de lagunes zijn verstopt en het terrein regelmatig onder rivierwater staat, zoals in Leupueng, planten we voorlopig niet. We houden rekening met de getijdecyclus in plantgebieden en maken daar vooraf grafieken van.''

Het grootste probleem zijn volgens Minha krabbetjes die zich tegoed doen aan de wortels van de zaailingen. ``We planten bij voorkeur op plaatsen waar deze minder talrijk zijn.''