Tactische terugtocht uit Europa

De Nederlandse kiezer, of moeten we zeggen: stemmer, is op de snijtafel gelegd. Daar was alle reden voor nadat hij een ambitieus project als het grondwetverdrag voor de Europese Unie per referendum onderuit had gehaald; tegelijkertijd kon uit het stemgedrag niet zonder meer worden afgeleid waarom hij dat had gedaan. In de studie Nederlanders en Europa, Het referendum over de Europese grondwet (uitgegeven door Bert Bakker) wordt gepoogd het waarom te doorgronden.

De eerste conclusie van de onderzoekers is dat, anders dan in de eerste commentaren na de uitslag vaak werd verondersteld, kritiek op het zittende kabinet niet een beslissend motief is geweest voor de deelnemers aan de volksraadpleging.

Het ging vooral en in de eerste plaats om het oordeel van de deelnemer over het verenigde Europa, zeg de Europese Unie. Dat is te zien wanneer een aantal categorieën deelnemers naast elkaar wordt geplaatst. Er blijkt dan een direct verband tussen een algemene negatieve opstelling tegenover de Unie en de tegenstem in het referendum.

Van de deelnemers die het lidmaatschap van de EU ,,een slechte zaak'' vinden, stemde 92 procent nee, van de groep die, op een glijdende schaal, meende dat de Europese eenwording ,,al te ver is gegaan'', was dit 84 procent.

Angst voor de toekomst is een belangrijk motief om de Europese Unie met argwaan te benaderen. Van de groep onderzochte deelnemers die niet gelooft dat ,,de welvaart sterker zal toenemen'', stemde 71 procent nee. Van de deelnemers uit deze categorie die bovendien meenden dat ,,sociale voorzieningen zullen verdwijnen'', verwierp 83 procent het grondwetverdrag. Overigens stemde in de groep die wel welvaartstoename veronderstelde, maar eveneens sociale voorzieningen zag verdwijnen, 68 procent tegen.

Angst wordt niet alleen gevoed door veronderstellingen bij de deelnemer over welvaart en sociale voorzieningen, een meer algemene culturele factor speelt een rol. Van de groep die meende dat ,,onze nationale identiteit en cultuur zullen verdwijnen'' stemde 84 procent tegen, in de categorie die daar niet van uitging wees nog altijd 47 procent het grondwetverdrag af.

De onderzoekers hebben vervolgens een aantal stellingen betrokken en die aan de geselecteerde deelnemers voorgelegd. Bijvoorbeeld dat het vetorecht van de lidstaten op alle terreinen behouden moet blijven; 57 procent was het daarmee eens, daarvan stemde 72 procent tegen. Ook dat de joods-christelijke wortels van Europa erkend dienden te worden; hiermee was 35 procent het eens, daarvan stemde 64 procent tegen. Dat bestrijding van terrorisme uitsluitend een zaak van de lidstaten is; 13 procent was het daarmee eens, daarvan stemde 69 procent tegen. De onderzoekers wijzen erop dat deze stellingen haaks staan op het Europese grondwetverdrag.

Meer in het algemeen constateren de onderzoekers: ,,naarmate men het met meer elementen (van het verdrag) eens is, is men ook eerder geneigd om voor de Europese grondwet te stemmen.'' Het percentage neestemmers loopt ononderbroken af van 87 procent wanneer men het met geen van zes elementen eens is, tot 17 procent wanneer men het met alle zes eens is. Dit heeft een sterk `als je in de regen loopt word je nat'-karakter. De onderzoekers geven toe dat beantwoording van het waarom van de tegenstem hier niet verder komt dan de constatering ,,dat de Europese grondwet wel degelijk een rol heeft gespeeld bij de stemkeuze''.

Conclusie van de onderzoekers: men is bang voor het verlies aan sociale zekerheid, heeft weinig vertrouwen in `Europa' als motor van de Nederlandse welvaart en is bang voor het verlies van de Nederlandse identiteit en cultuur.

Zo blijkt dat het verenigde Europa in Nederland zijn belangrijkste attracties heeft verloren. Twee elementen waren vanaf het begin in de jaren vijftig van doorslaggevend belang: de interne markt, aanvankelijk van zes lidstaten, stimuleerde door schaalvergroting en groeiende concurrentie de economie en vergrootte de algemene welvaart, de buitengrenzen beschermden die markt tegen wat nu globalisering heet. Achter dat scherm konden de vruchten van de toenemende welvaart onder de hele bevolking naar evenredigheid worden verdeeld. Op de inmiddels uitgebreide en zich naar buiten openende Europese markt zijn die oude zekerheden bezig te verdampen.

De zwakste groepen in de Nederlandse samenleving leveren dan ook de hoogste percentages tegenstemmen op. Jongeren waren vaker tegen dan ouderen, vrouwen vaker dan mannen, laaggeschoolden vaker dan hoger opgeleiden, de laagste inkomens vaker dan hogere, de lagere klasse vaker dan de hogere.

Alleen het kerkbezoek laat geen regelmatig verloop zien. Trouwe kerkgangers waren vaker negatief dan minder trouwe maar liepen nagenoeg gelijk op met mensen die zelden of nooit een godshuis bezoeken.

De categorie `geen mening' had in overgrote meerderheid nee gestemd. Toch nog een prikkel voor meer voorlichting?

De reactie van de vaderlandse politiek op de uitslag van het referendum doet in het algemeen denken aan een tactische terugtocht. De uitslag van het onderzoek zal haar daarin sterken. Van een `reculer pour mieux sauter' zal het binnen afzienbare tijd niet komen. Dat kan afgeleid worden uit de algemene negatieve gemoedstoestand.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.