Red ons, Shakespeare

Is de progressieve elite verantwoordelijk voor de nakende ondergang van de westerse beschaving? Of is dat toch wat te veel eer?

In de media, ook in deze krant, duikt de laatste tijd steeds vaker de naam op van Theodore Dalrymple. In 2001 verscheen zijn essaybundel Life at the Bottom (vertaald als Leven aan de onderkant, besproken in Boeken, 04.02.05), vol verontrustende berichten over het verloederde leven van de Britse onderklasse. Dalrymple sprak uit eigen ervaring, want jarenlang was hij als arts werkzaam geweest in een achterbuurt en een gevangenis te Birmingham. Maar dat is niet het enige. In zijn boek ontpopte hij zich ook als een gedreven cultuurcriticus met een voor progressieve lezers weinig gerieflijke boodschap. Daarvoor bestaat tegenwoordig veel belangstelling.

Het grote probleem was dat vrijwel alle patiënten die hij op zijn spreekuur kreeg of in de gevangenis sprak, zichzelf als willoze slachtoffers beschouwden. Niemand ging ervan uit dat hij of zij alle ellende aan zichzelf te danken had. Deze funeste lijdzaamheid, die hen verhinderde zelf iets aan hun conditie te doen, was hun aangepraat, aldus Dalrymple, door de progressieve elite van intellectuelen, academici en politici, die alle sociale rampspoed jarenlang had toegeschreven aan onpersoonlijke mechanismen en structuren.

Daarnaast was diezelfde elite medeschuldig doordat zij uit naam van een utopisch waanbeeld eveneens jarenlang de bevrijding van de lust uit de kluisters van de moraal had gepredikt ,,en doordat zij in postmodern relativisme weigerde nog langer een duidelijk onderscheid te maken tussen goed en kwaad, mooi en lelijk, waar en onwaar. De gevolgen waren rampzalig, niet zozeer voor de elite zelf (die meestal niet zo gek was haar eigen ideeën helemaal serieus te nemen), maar voor de minder ontwikkelde lagen van de bevolking die alles letterlijk namen en ongeremd in praktijk brachten. De enorm toegenomen criminaliteit, de seksuele chaos (met talloze onwettige kinderen) en het huiselijk geweld tegen vrouwen en kinderen vonden daar hun oorsprong: wat aan de top was bedacht had zijn onbedoelde effecten aan de onderkant.

In Leven aan de onderkant, net als in zijn nieuwe boek Beschaving of wat ervan over is, is Dalrymples doelwit in feite de erfenis van de jaren zestig, die tegenwoordig bij meer geesten onder vuur ligt. Zijn cultuurkritiek is helemaal in de geest van `Pim' en strookt met het Amerikaanse neoconservatisme, temeer daar ook enkele harde noten worden gekraakt inzake de islam. Nieuw is het allemaal niet, maar Dalrymple weet zijn boodschap energiek te brengen, met ironie en sarcasme, en vooral met woede en verbijstering. Het is moeilijk om zijn appel naast je neer te leggen. Daarvoor zijn de vele concrete verhalen die hij vertelt, over misbruikte vrouwen en kinderen, radeloze levens en beestachtige ontsporingen, te schrijnend. Is dit werkelijk het ware gezicht van onze beschaving?

Dalrymple geeft toe dat zijn voorstelling van zaken misschien niet representatief is, maar dan nog gaat het volgens hem om vele duizenden levens, en om een cultureel en moreel verval dat iedereen aangaat. Wat dit betreft moet hij gelovige moslims gelijk geven die in onze cultuur voornamelijk `promiscuïteit en losbandigheid' ontwaren. Zelf ziet hij ook niet veel anders of het moest de morele lafheid zijn, de onverschilligheid en hypocrisie van de progressieve intellectuelen, die zijn diagnose in `moedwillige blindheid' ontkennen.

Ondertussen prijzen zij het afbreken van taboes en het verleggen van grenzen als de hoogste waarden in kunst en literatuur, ongeacht de consequenties voor de samenleving als geheel. Zo heeft een artistiek klimaat kunnen ontstaan dat van choqueren om het choqueren een kunst heeft gemaakt, die alle kiesheid, beschaving en goede smaak aan haar laars lapt en die op haar knieën ligt voor de meest obscene en vulgaire uitingen van de massacultuur.

Als we Dalrymple mogen geloven is dit al veel langer aan de gang dan sinds de jaren zestig, toen het cultuurrelativisme zijn zegetocht begon, want in Beschaving of wat ervan over is moeten ook D.H. Lawrence (`een saaie pornograaf') en Virginia Woolf het ontgelden. Haar instelling (`oppervlakkig, oneerlijk, rancuneus, jaloers, snobistisch, egocentrisch, triviaal, barbaars, en uiteindelijk gewelddadig') zou inmiddels bij de elite gemeengoed zijn geworden. Dit alles ten koste van de traditie, en ten koste van het besef dat een beschaving naast verandering ook onderhoud en inspanning nodig heeft, zoals José Ortega y Gasset al in de jaren twintig van de vorige eeuw betoogde.

Dalrymple windt zich op over de gratuite vernietigingsdrang van de surrealist Miró of over de spraakmakende expositie `Sensation' in de Londense Royal Academy, waar een levensgroot portret van de kindermoordenares Myra Hindley werd tentoongesteld terwijl de bij de entree demonstrerende moeders van haar slachtoffertjes werden genegeerd – en hij denkt vol nostalgie aan de vroegere voorzitter van dezelfde Royal Academy Joshua Reynolds en diens smaakvolle neoclassicisme.

Hedendaagse kunst, lezen we, heeft `elk contact met het menselijk bestaan' verloren. Ortega y Gasset daarentegen, beducht voor de `opstand der horden', vond de `onmenselijkheid' van de moderne kunst juist een zegen: zo konden de kenners en het domme gepeupel gescheiden blijven. Maar een dergelijk elitisme is Darymple vreemd; zijn cultuuridealisme doet eerder aan de oude sociaal-democratie denken, toen arbeiders nog bereid waren na de zware werkdag een goed boek ter hand te nemen. Liefst van een klassiek auteur, bij voorkeur Shakespeare (volgens Dalrymple het nec plus ultra van de menselijke zelfkennis), maar vast liever niet van een romanticus. Want alles wat hij verafschuwt in de hedendaagse kunst en literatuur (de pathologische hang naar originaliteit en authenticiteit, de eeuwige kritiek op de status quo) blijkt van romantische herkomst.

Met de Romantiek begint ook de morele ontgrenzing van de kunst, en als er één criterium is dat Dalrymple op kunstwerken loslaat, dan is het wel de moraal. Zijn esthetisch genot lijkt geheel en al in dienst te staan van zijn ethische preoccupaties; telkens denkt hij aan de gevolgen voor het volk dat hij op zijn spreekuur en in de gevangenis heeft leren kennen. `Ideeën hebben gevolgen, al is het vele jaren later', schrijft hij dreigend. Sinds het culturele en morele relativisme zich van de elite meester heeft gemaakt, is er zelden meer iets goeds uit voortgekomen.

Wat moet je hier nu allemaal van denken? Mijn gevoelens zijn, moet ik bekennen, zeer gemengd. Dalrymple's pleidooi om de leden van de onderklasse weer verantwoordelijkheidsgevoel bij te brengen, zoals hij zelf in zijn praktijk placht te doen, en hen niet meer alleen als hulpeloze slachtoffers te behandelen, lijkt me alleen maar verstandig. Hetzelfde geldt voor zijn geloof in de natuurlijke neiging van de mens tot het kwaad, die noopt tot zelfbeheersing en tot wat Freud Triebverzicht noemde: wie altijd in alles zijn lusten gehoorzaamt, verandert in een egoïstisch zwijn en maakt van de vrijheid een karikatuur. Ook dat in de moderne kunst veel rotzooi omgaat en dat iedereen gebaat is bij degelijk onderwijs, ben ik met hem eens. En inderdaad, Shakespeare lezen is altijd de moeite waard.

Maar heeft Dalrymple ook gelijk als hij alle schuld legt bij de permissiviteit van relativistische intellectuelen? De romantische dichter Shelley parafraserend, noemt hij intellectuelen, kunstenaars, romanschrijvers, filmregisseurs, journalisten en `zelfs' popzangers de `onofficiële wetgevers van de wereld' – met dit verschil dat hij dit, anders dan Shelley, niet positief interpreteert, zolang zij niet van hun dwalingen zijn teruggekeerd. Zijn ideeën werkelijk zo alles bepalend? In sommige specifieke gevallen misschien wèl, maar hier wordt het verval van een hele beschaving ervan afhankelijk gemaakt. Kan een zo complexe beschaving als de onze door een paar ideeën aan het wankelen worden gebracht?

De eenzijdigheid van Dalrymples diagnose springt in het oog. Wat is bijvoorbeeld het aandeel geweest van de secularisering, van het consumentisme, van de democratisering, van de technische vooruitgang, van de economie? Probeer je deze vragen serieus te beantwoorden, dan verdampen de simpele, heldere diagnoses. Dat is dan ook, vermoed ik, de reden waarom Dalrymple ze niet eens stelt en zich als een bloedhond vastbijt in de relativistische elite. Zo blijft de zaak overzichtelijk en valt er ook aan een remedie te denken: namelijk een mentaliteitsverandering, de remedie waarmee de meeste cultuurcritici komen aanzetten. Het enige wat erop zit, als ik Dalrymple goed begrijp, is dat we het relativisme vaarwel zeggen en weer gewoon uitgaan van ons gezonde verstand en onze goede smaak. Wat daaronder precies moet worden verstaan, is kennelijk geen enkel probleem.

Nu is het wat mij betreft in principe altijd het beste om te doen alsof alles je eigen schuld is; zo vermijd je kwade trouw en stimuleer je jezelf om iets aan je problemen te doen. Dat zou dus ook voor delinquenten en andere ontspoorden op moeten kunnen gaan. Maar wat uit praktisch, moreel oogpunt wenselijk en verstandig is, hoeft nog geen afdoende verklaring te zijn. Daarom zou ik me over het effect van zo'n mentaliteitsverandering niet al te veel illusies maken. Dalrymple spreekt bovendien zelf – volkomen terecht – over de `wet van de onbedoelde gevolgen'; niets garandeert dat die opeens buiten werking treedt als Dalrymple zijn zin zou krijgen.

Net zo kan het culturele en morele relativisme een schadelijke uitwerking hebben, bijvoorbeeld omdat niemand meer een oordeel durft uit te spreken over andermans gedrag of cultuur – zonder dat het daardoor onwaar hoeft te zijn. Waarheid en morele wenselijkheid vallen niet per se samen. Maar niets verplicht de relativist om van de gelijkwaardigheid van alle culturen of waarden uit te gaan. Dat dat na de Tweede Wereldoorlog in zwang is geraakt, heeft alles te maken met het koloniale verleden en met het racisme van de nazi's. Voordien, bij denkers als Nietzsche en Weber, kon cultuurrelativisme heel goed gepaard gaan met de (subjectieve) keuze voor bepaalde waarden, voor een bepaalde cultuur. Waar die keuze op zijn beurt door bepaald wordt dat is een volgende vraag, die misschien het hele subjectivisme op losse schroeven zet.

Tot dit soort filosofische overwegingen is Dalrymple echter niet bereid, net zo min als hij bereid is voor de filosofie, de kunst en de literatuur een apart domein te erkennen, waar het denken en scheppen zich buiten de morele grenzen mag begeven – wat óók als een teken van beschaving zou kunnen worden gezien. Zijn cultuurkritiek bekommert zich niet om filosofische voetangels en klemmen, zij behoort tot het shock and awe-genre en is bedoeld om het in dogmatische sluimer verzonken progressieve publiek wakker te schudden.

Een beperkte doelstelling. Dat verklaart waarschijnlijk waarom ik Dalrymple het overtuigendst vind wanneer hij zich ook met beperkte, concrete kwesties bezighoudt, zoals de vraag of corruptie een voordeel kan zijn (wel in Italië, niet in Afrika), hoe we de overgevoeligheid van de Islam voor kritiek en beledigingen moeten interpreteren (als teken van zwakte), waar de chaos in het postkoloniale Afrika vandaan komt (onder meer van het klakkeloos overnemen van de Europese natiestaat), enzovoort.

Wanneer hij de hele westerse beschaving in de tang neemt en haar vermeende verloedering aan één centrale oorzaak toeschrijft, lijkt Dalrymple vooral op zijn talloze cultuurkritische voorgangers, die net als hij in schrille bewoordingen de nabije ondergang van de beschaving hebben voorspeld, als er niet razendsnel een fundamentele verandering zou plaatsvinden. Bij zulke cultuurcritici lijkt het horloge maar één wijzerstand te kennen: het is altijd vijf voor twaalf. Maar aangezien dat nu al een paar eeuwen zo is, zullen die vijf minuten ook na Theodore Dalrymple's welsprekende noodkreet nog wel even voortduren.

Theodore Dalrymple: Beschaving of wat ervan over is. Uit het Engels vertaald door Ronald Kuil. Nieuw Amsterdam. 352 blz. €24,95