Onder pygmeeën

De Britse regering is woedend over de openhartige memoires van Chistopher Meyer, oud-ambassadeur in Washington – vol onthutsende staaltjes van de gebrekkige dossierkennis van premier Blair.

Discretie, gewoonlijk de hoogste deugd in diplomatieke kringen, was de afgelopen weken ver te zoeken in Londen. Ministers en topambtenaren smeten plotseling in alle openheid met modder naar Sir Christopher Meyer, Brits ambassadeur in Washington tijdens de aanloop naar de oorlog in Irak. De aanleiding voor alle woede: de publicatie van Meyers openhartige memoires getiteld DC Confidential.

Volstrekt onaanvaardbaar, tierde Meyers voormalige baas, minister van Buitenlandse Zaken Jack Straw in de media. `A complete prick', mompelde premier Tony Blair naar verluidt binnenskamers en ook voormalige topambtenaren spraken er schande van. Buitenlandse Zaken vaardigde prompt een oekaze uit dat de vertrouwelijkheid tussen ministers en hun medewerkers dient te worden gerespecteerd, ook na het verlaten van de diplomatieke dienst.

De regering heeft de laatste tijd veel te stellen met loslippige oud-diplomaten, die hun ervaringen voor veel geld in boekvorm en via voorpublicaties in kranten kunnen verkopen. Onlangs stak het Foreign Office al een stokje voor een boek van Sir Jeremy Greenstock, die als gezant bij de Verenigde Naties in New York het hele Irak-drama van nabij meemaakte. Ook Meyer legde zijn boek conform de regels voor aan zijn oude werkgever, maar enigszins tot zijn eigen verbazing kreeg hij het groene licht.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Meyers vlot geschreven boek ook geen schokkende staatsgeheimen bevat. Niettemin biedt hij, goeddeels uit de eerste hand, een interessant verslag van de gebeurtenissen, die tot de inval in Irak leidden. Meyer zat weliswaar niet altijd aan tafel met de leiders, maar wel vaak. Bovendien had hij voortreffelijke bronnen onder de hoogste medewerkers van Bush. Hij wist daardoor heel veel.

Misschien wel Meyers belangrijkste conclusie is dat president George W. Bush en premier Tony Blair niet al in 2002 doelbewust aanstuurden op een oorlog met Irak. Beiden beseften dat de kans daarop aanzienlijk was, maar – anders dan naderhand vaak is beweerd – bestond er geen vernuftig plan om de wereld om de tuin te leiden aan de hand van onwaarheden over de massavernietigingswapens. Ook Meyer zegt er steeds van uit te zijn gegaan dat Irak daarover voor de inval nog altijd beschikte.

Realpolitiker

De oud-diplomaat beschrijft hoe hij in de zomer van 2002, toen `Irak' de gemoederen al steeds meer verhitte, een voordracht hoorde van de Amerikaanse oud-minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger, Realpolitiker bij uitstek. Deze ontvouwde een aanpak die Meyer als zeer verstandig voorkwam. Kissinger was niet tegen een inval in Irak mits de oorlog kort zou duren. Bovendien zou het diplomatiek allemaal netjes moeten worden afgehecht. Een derde cruciale voorwaarde was dat er een weloverwogen plan was over de aanpak van Irak na de val van Saddam Hussein. Vooral op die laatste twee punten bleven Bush en Blair volgens Meyer ernstig in gebreke.

De ambassadeur was zelf slechts zijdelings betrokken bij de diplomatieke schermutselingen bij de VN in New York, waar de Amerikanen en de Britten uiteindelijk betrekkelijk eenzaam stonden. Ook zag hij met zorg dat Blair zich niet meer bekommerde om de nazorg in Irak. De premier had zijn handen meer dan vol aan het overtuigen van het Britse thuisfront dat de inval nodig was.

Volgens Meyer is Blair per saldo te meegaand geweest met de Amerikanen. Met een hardere opstelling had hij meer concessies van de Amerikanen kunnen loskrijgen op het punt van de diplomatie en de nazorg in Irak. De Amerikanen hadden dringend een bondgenoot als de Britten nodig, niet om militaire maar om politieke redenen. Dat had Blair kunnen uitbuiten. De premier was zelf echter zo overtuigd van het belang Saddam aan te pakken dat hij dat naliet. `Daarmee leg je je lot in handen van de bondgenoot', aldus Meyer.

Hij betoogt verder dat de afloop anders had kunnen zijn als de inval niet zo haastig was verlopen. Hij sluit niet uit dat althans de Fransen alsnog overstag zouden zijn gegaan, als er een half jaar extra was uitgetrokken. Toch is dit niet zo waarschijnlijk omdat de wapeninspecteurs van de VN, zoals we nu weten, niet met hardere bewijzen tegen Saddams bewind op de proppen hadden kunnen komen.

Het probleem was bovendien, zoals Meyer ook zelf schetst in zijn boek, dat de rechtervleugel van de regering – voorop vice-president Dick Cheney, minister van Defensie Donald Rumsfeld en zijn nummer twee Paul Wolfowitz – geen uitstel duldde. Zij wilden snel afrekenen met Saddam en wilden niet de militairen, die al in het Golfgebied zaten, een lange hete zomer laten niksen.

Interessant is ook de manier waarop Meyer de in Europa zo vaak bespotte Bush neerzet. Meyer schetst hem als een volbloed politicus, die zijn zaken over het algemeen goed kent. Tijdens besprekingen, ook over internationale kwesties, was er volgens Meyer nooit enige twijfel dat hij de dienst uitmaakte en niet zwaargewichten als Cheney, Rumsfeld of minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell. Binnenskamers heeft hij bovendien minder last van zijn soms onbeholpen formuleringen. Het is volgens Meyer een grote vergissing Bush te onderschatten.

Buskruit

De reden dat Meyers boek zoveel stof heeft doen opwaaien in Londen is vooral dat hij enkele stevige noten kraakt over Blair en zijn kabinet, volgens hem deels bestaand uit `pygmeeën'. Tot het Afrikaanse dwergvolk rekent Meyer kennelijk ook zijn vroegere chef, minister van Buitenlandse Zaken Jack Straw. Hij noemt deze een man die `het buskruit niet heeft uitgevonden' en die gedurende de hele Irak-crisis volkomen werd overvleugeld door Blair en zijn medewerkers in Downing Street 10.

Ook Blair moet ondanks Meyers bewondering voor diens retorische gaven stevige tikken incasseren. De oud-diplomaat geeft enkele onthutsende staaltjes van de gebrekkige dossierkennis van de premier. Tijdens een bezoek aan de Verenigde Staten op het hoogtepunt van de crisis over de seksuele escapades van president Clinton met zijn stagiaire Monica Lewinsky informeerde Blair bij Meyer: `Wat is nu eigenlijk het verwijt tegen Clinton? Ik bedoel, wat wordt hij geacht te hebben gedaan?'

Enkele ogenblikken voor een treffen met Bush in 2001, toen het Amerikaanse idee voor een raketschild de gemoederen al maanden bezig hield, klampte Blair Meyer aan met de woorden: `Hoe staan de Amerikanen op het punt van de missile defence? Wat moet ik zeggen?' Meyer had geen tijd meer om zijn briefing, die hij vooraf al op papier had gezet voor de premier, af te ronden. Dat zou iemand als Margaret Thatcher en ook John Major nooit zijn overkomen, suggereert Meyer. Die kenden hun dossiers tot in de puntjes.

Over Major kan Meyer meepraten. Halverwege de jaren negentig was hij een paar jaar diens perschef. Hij schroomt niet de lezer mee te nemen naar de slaapkamer van zijn baas op de bovenste etage van Downing Street 10. Daar nam hij 's ochtends in alle vroegte de stand van zaken door met de premier, terwijl deze zich aankleedde. Af en toe werd Meyer zelfs naar de badkamer gesommeerd om geen tijd te verliezen.

Veel schiet de lezer met zulk voyeurisme niet op, maar het valt niet te ontkennen dat Meyer veel anekdotes uit het diplomatieke wereldje op een smakelijke manier opdist. Veelzeggend voor Washington, waar alles om macht en invloed draait, is het detail dat zijn staf bij etentjes op de ambassade vlak voor de maaltijd altijd waakzaam moest zijn. Dan waren er altijd lieden, die probeerden de zorgvuldig uitgedachte tafelschikking te verstoren door stiekem hun naamkaartje naast dat van een machthebber te plaatsen. Alleen al om zulke inkijkjes mogen we Meyer, en de ambtenaren die hun fiat hebben gegeven aan publicatie, dankbaar zijn voor dit boek.

Christopher Meyer: DC Confidential. The Controversial Memoires of Britain's ambassador to the U.S. at the time of 9/11 and the Iraq war. Weidenfeld & Nicholson, 288 blz. €37,49