Nostalgisch en meewarig

De titel van het boek spreekt voor zichzelf: Jan Greven, theoloog, oud-directeur van de Interkerkelijke Omroep Nederland en voormalig hoofdredacteur van dagblad Trouw, heeft afscheid genomen van de bijbel, althans van de bijbel zoals hij die in zijn jeugd leerde kennen. Hij gedenkt in eerbied zijn gereformeerde vader, die er aan tafel uit voorlas, hij eert het praktische geloof van zijn lutherse moeder en haar kinderbijbelverhalen, hij herinnert zich de lessen bijbelse geschiedenis op de school met de bijbel, de psalmversjes op maandag en alle andere vastigheden uit de tijd van de mannenbroeders. `Maar het is een liefde voor iets wat voorbij is. Voorgoed voorbij.'

Zijn afscheid van de bijbel herleidt Greven tot het rationele karakter van de gereformeerde religie. Ze bood in zijn beleving geen bevinding, geen mystiek, maar kille waarheid. De betrouwbaarheid van de bijbel lag in de feitelijke juistheid van wat erin staat. Het geloof was op formule gebracht in de belijdenisgeschriften van de kerk. De zondagse preek sloeg de brug tussen de bijbel en het kerkelijk belijden. Geloven was alleen een zaak van het verstand.

Toen Greven aan de Vrije Universiteit theologie ging studeren, ontdekte hij de groeiende afstand tussen het gereformeerde geloof en de wetenschappelijke theologie. Met een reeks van anekdotes schetst hij hoe VU-hoogleraren aan het begin van de jaren zestig worstelden met de discrepantie tussen hun loyaliteit aan het gereformeerde denken en de ontdekkingen van de moderne bijbelwetenschap. Door die wetenschap viel de bijbel als het ware uit elkaar in allerlei verschillende puzzelstukjes die met een vergrootglas uit elkaar gehaald werden. Dat wetenschappelijke werk werd verricht tegen de achtergrond van de altijd aanwezige dreiging dat de gereformeerde synode strafmaatregelen zou nemen. Het is het meest onderhoudende deel van Grevens boek.

De toon van de hoofdstukken over het gereformeerde verleden is overwegend nostalgisch. Als Greven komt te spreken over het verzet tegen de Nieuwe Bijbelvertaling, waaraan hij zelf meewerkte, dan wordt hij ronduit meewarig. Dat mensen als Karel Deurloo en Nico ter Linden zich beklagen over het parafraserende karakter van de nieuwste vertaling, waarbij essentiële woorden en begrippen onder tafel zijn geraakt, vindt hij overdreven. Hun hartstocht voor de overgeleverde tekst, hun bereidheid zich te laten beleren door die woorden, deelt Greven niet. Herkenbare bijbelse termen en uitdrukkingen zijn misschien zinvol voor het werk in de studeerkamer, maar de souplesse van moderne bewoordingen heeft zijn voorkeur.

Het gebrek aan eerbied voor de overgeleverde woorden moet ook aan de basis hebben gelegen van Grevens afkeer van het barthianisme. Het gevoel voor het failliet van mens en wereld dat de theologie van Barth kenmerkt, kan Greven niet delen. Daarmee valt natuurlijk de behoefte aan de genade van een reddende God ook weg. Wat dan rest, is religieus sentiment.

Greven had er verstandig aan gedaan zijn manuscript voor publicatie aan anderen ter lezing voor te leggen. Dan was de discipel Nathanaël niet Nathaniël geworden, had de dissidente gereformeerde predikant Geelkerken (van de sprekende slang) niet steeds verschillende maar nooit de goede voorletters gekregen en dan was de gereformeerde predikant H.J. Hegger, ooit katholiek priester, niet voortijdig dood verklaard om een paar in het oog springende ongerechtigheden te noemen.

Jan Greven: De bijbel van mijn jeugd. Bert Bakker, 128 blz. €12,50