Mens zoekt afgod, wanhoop geen bezwaar

De schilderijen van Fra Angelico waren niet langer een handreiking aan analfabeten. Ze verbeteren het Evangelie, zag Arnon Grunberg, schrijver van de `Grunbergbijbel', in New York.

Fra Angelico schildert madonna's met of zonder kind, engelen, geboorten en kruisigingen van Christus en nu en dan een onthoofding. Op de tentoonstelling die het Metropolitan Museum in New York aan Fra Angelico heeft gewijd sta je onverwacht voor een koning David. En dat is even schrikken.

Temidden van alle Christussen en de bleke en wanhopige madonna's die stuk voor stuk de indruk wekken aan bloedarmoede te lijden, is daar koning David. Hij is bezig op een psalter te tokkelen. Koning David in het zwart-wit.

Zo voelt het tussen al de roze en rode gewaden waarin de engelen zich hullen en het blauw van Maria: zwart-wit. Maar het bijschrift leert dat het om bruine inkt gaat.

Het is een nog jonge David, die Fra Angelico heeft getekend. Waarschijnlijk is hij dus aan het spelen voor koning Saul die door God is verlaten en nu door demonen wordt bezocht. Alleen het spelen van David op de psalter brengt Saul enige verlichting. Zoals er staat: `De kwade geest liet hem dan even met rust'. Een kwade geest die zich laat verdrijven door de kracht van de muziek, door de schoonheid dus, of misschien ook wel door de geruststellende aanwezigheid van David. Zo'n kwade geest zou ik ook wel willen.

Het verhaal van David en Saul doet modern aan, alsof het om een schets voor een roman gaat. Het is één van die niet zo vaak voorkomende passages waarin de auteur van de bijbel aantoont over een huiveringwekkend psychologisch inzicht te beschikken.

David bevrijdt Saul van zijn demonen, hoe tijdelijk dan ook, om vervolgens door Saul naar het leven te worden gestaan. Alsof koning Saul het niet kan verdragen dat deze man hem in al zijn zwakte heeft gezien, terneergeslagen, vernederd door de kracht van de depressie. Alsof hij het hem kwalijk neemt door David van zijn kwade geesten bevrijd te zijn. Alsof die geesten nu vlees zijn geworden en er nog maar één werkelijke bedreiging is overgebleven: David. De man die Saul eerst als een zoon aan zijn hof had binnengehaald.

Verder is er natuurlijk nog de intense, misschien wel seksuele relatie tussen David en Sauls zoon, Jonathan; Sauls jaloezie vanwege Davids successen; en uiteindelijk het lot van David zelf die bezocht wordt door demonen, nadat hij Batseba's man uit de weg heeft geruimd omdat hij verliefd was geworden op Batseba.

Dan volgt deze mooie alinea: `Koning David was op hoge leeftijd gekomen. Hoewel men hem met dekens toedekte, kon hij het niet meer warm krijgen. Zijn hovelingen zeiden tegen hem: ``Laat ons een jong meisje voor u zoeken, mijn heer en koning, dat u gezelschap kan houden en verzorgen. Laat haar in uw schoot slapen, dan zult u weer warm worden''.'

Op de tekening van Fra Angelico moet David Jonathan nog ontmoeten, moet hij Goliath nog verslaan, moet hij nog verliefd worden op Batseba. Maar ergens is hij al wat hij zal gaan worden: de man die het niet meer warm kan krijgen.

David kijkt schuin omhoog, vermoedelijk naar Saul, maar het is geen kijken vol devotie, noch de blik van de dienaar die zijn baas angstig monstert. Hoe langer je naar de tekening staart, hoe meer je het idee krijgt dat David ironisch, ja misschien wel uitdagend naar Saul kijkt. Alsof hij weet wat gaat komen. Alsof hij al een dringend vermoeden heeft van de vrieskou, nog voor die hem heeft bereikt.

Wicht

Fra Angelico (geboren rond 1400, gestorven in 1455) ging niet aan het werk zonder eerst te hebben gebeden. Het is weliswaar een apocrief verhaal, maar aangezien hij een Dominicaner monnik was, is het niet onwaarschijnlijk. We moeten ons een man voorstellen die eerst bidt en dan pas zijn penseel oppakt. In 1982 werd hij heilig verklaard. Een beetje laat, maar de erkenning kwam dan toch nog. De schilder als heilige.

Maar het werk contrasteert met dit beeld van een man die bovenal zijn godsdienst dient. Het werk laat iets heel anders zien. Het doet de vroomheid teniet.

Fra Angelico schildert en tekent alsof de bijbel voor hem weinig meer dan een aanleiding is, een schatkamer vol esthetische genoegens. Wat een andere schilder heeft met badende vrouwen bij een meertje, heeft hij met het Evangelie.

Ergens bij de twaalfde kruisiging en de veertiende madonna kan de toeschouwer het vermoeden dat de bijbel Fra Angelico's muze is geweest niet langer onderdrukken. Nu kan een muze van alles zijn, en je kunt haar ook aanbidden, maar uiteindelijk neem je haar met een korreltje zout. Het woord van de muze is per definitie niet heilig. Een muze blijft een wicht.

Welk tafereel Fra Angelico ook onder handen neemt, de personages krijgen bij hem iets menselijks, en daarmee bedoel ik iets alledaags en daardoor iets extreem onheiligs. Zijn madonna's, allemaal even pips en vertwijfeld, doen denken aan boerendochters, boerendochters met een verfijnd gezichtje, maar wel boerendochters over wie in de meeste gevallen de schaduw van de waanzin lijkt te zijn gevallen.

De sereniteit die vaak geassocieerd wordt met de madonna kon ik niet op Fra Angelico's panelen ontdekken. Zijn madonna's lieten bij mij eerder een indruk van verstilde en opgekropte angst achter, die ieder moment kan exploderen. Ik moest denken aan het universum van Samuel Beckett. Een wereld zonder God en daarmee zonder werkelijke hoop, waarin de mens betekenis probeert toe te kennen aan zijn eigen isolement. Maar wat kan isolement betekenen?

In dit vacuüm lijken de madonna's te wachten, waarop is onduidelijk. De rest van de wereld bestaat misschien nog wel, maar is voor hen onherkenbaar. En dan die blik in hun ogen waardoor je twijfelt of ze weten waar ze zijn, en of ze dat überhaupt wel zouden willen weten. Als er al engelen in beeld verschijnen, lijkt de madonna hun wenken niet helemaal te begrijpen.

Zeker, er zijn ook enkele moederlijke madonna's bij die een relatie lijken te onderhouden met wat ze in hun armen dragen, maar in de meeste gevallen is aan deze madonna's iets te zien wat ik `onthechting' zou willen noemen, ware het niet dat dat zo anachronistisch klinkt. Officieel deed men in die tijd nog niet aan onthechting, maar officieus dus wel, zo blijkt uit deze tentoonstelling.

In musea en catalogi kan men geregeld madonna's tegenkomen die voluptueus bezig zijn hun borst aan te bieden aan het kind. Madonna's aan wie je kunt zien dat ze een lekker zoentje kunnen waarderen en dat ze ook al menig zoentje achter de rug hebben. Maar die van Fra Angelico hebben de hoop opgegeven ooit nog eens lekker gezoend te worden. Veel in hen is gestorven. Radeloos vragen ze zich af: `Wat heb ik in mijn armen gedrukt gekregen?'

En dan de baby's. die met enige overdrijving regelmatig monsterlijk genoemd moeten worden; op zijn minst baby's over wie je niet meteen zou zeggen: `Wat een mooi kindje'. Baby's aan wie de verdenking van de inteelt kleeft.

Zo roept Fra Angelico's werk veel meer onbehagen op dan de bijbel, het boek waarop het is gebaseerd. Van een blijde boodschap is weinig tot niets te bekennen, niet eens een kleine verwijzing in de verte, op de achtergrond. Jezus heeft weliswaar gezegd dat hij een wig kwam drijven tussen `een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder', maar hier lijkt tussen iedereen een wig gedreven.

De bijbel wijst redelijk onomwonden aan waar verlossing gevonden kan worden. De wereld van Fra Angelico roept daarentegen de vraag op waar de verlossing in godsnaam te vinden is. Waar en tegen welke prijs.

Romanschrijvers

Over Gods verordening dat men hem niet mag afbeelden is goed nagedacht. Het is een van zijn betere verordeningen.

Met het afbeelden van God of zijn familieleden brengt men het monotheïsme feitelijk al aan het wankelen.

Johannes legt aan het begin van zijn Evangelie precies uit hoe het werkt: `Het woord is mens geworden'. (Of `vlees geworden', afhankelijk van welke vertaling men gebruikt.) Er staat niet: de fresco is mens geworden.

Daarmee legt hij de lat hoog voor alle romanschrijvers die na hem zullen komen. Het woord moet mens worden, anders kan het zich beter verstoppen in de provisiekast.

Maar de pretenties van de bijbel reiken als bekend verder dan die van de gemiddelde roman. Redding is hier geen facultatieve bijkomstigheid, de vragen die het werk oproept worden meteen beantwoord, zij het vaak op paradoxale wijze. Dat men zich tijdelijk en zeer voorwaardelijk verliest in de wereld van de roman is niet voldoende; van de lezer wordt meer verwacht. Geloof. Overgave. Passie. Vreugde dat hulp onderweg is.

Het woord wordt dus niet zomaar mens, het wordt wet, het wordt een universum, het wordt alles. Niets bestaat meer werkelijk behalve het woord dat mens is geworden.

En nu wordt dat mensgeworden woord afgebeeld, niet met behulp van nog meer woorden, er komt niet nog een evangelie bij, maar geschilderd op een paneel.

Dat is, bij alle schoonheid, onvermijdelijk een ontluistering.

Het woord mythologiseert. Het roept iets op wat er niet is, wat er wellicht was, wat er misschien zal zijn, maar misschien ook niet. J.M. Coetzee zegt dat de gesproken taal is ontstaan uit het lied. `En het lied is ontstaan uit onze behoefte om de al te grote en tamelijk lege menselijke ziel met geluid te vullen.' Maar dat geluid doet iets, meer dan alleen de lege ziel vullen, het heeft effecten. Welke kan men bijvoorbeeld in het Evangelie van Johannes nalezen. Het woord is een krankzinnige belofte, een tot waanzin drijvende utopie, een verslavende verwijzing naar het paradijs. Maar door dit alles ook een muizenval die dichtklapt wanneer de gelovige zijn stukje kaas komt opeisen.

De afbeelding concretiseert en werkt daar ontmythologiserend. Alsof je na maanden met iemand te hebben gemaild diegene eindelijk ontmoet in een café. De werkelijkheid maakt aan tenminste één illusie hardhandig een eind: jouw voorstelling van de ander. Het woord wordt niet langer mens, het woord wordt deceptie.

Nu is de afbeelding van Jezus natuurlijk gemeengoed. Iedereen weet ongeveer wel hoe hij eruit ziet: blond, halflang haar, baard, wit weggetrokken. Maar er is één Jezus van Fra Angelico die zo goed is, dat de confrontatie met hem toch choquerend is. Hoeveel Jezussen je ook gezien hebt, hoeveel er ook in je woonkamer hangen, deze laat je niet los.

Alleen het hoofd, met doornenkroon en de schouders, zijn door Fra Angelico geschilderd. De ogen zijn zo rood als de lippen. Over het voorhoofd en de wangen druppelt bloed.

Deze Christus is mijn lievelings-Christus, zo mooi, zo echt heb ik hem niet eerder gezien. Maar het is ook de meest ontluisterende confrontatie met de mensenzoon die ik mij kan voorstellen.

Fra Angelico doet hier wat niet voor mogelijk werd gehouden. Hem lukt wat misschien wel niemand had mogen lukken. Hij verslaat het evangelie en daarmee het woord. Het woord is niet langer een belofte, niet meer de hoop, maar een val. Fra Angelico's hand wint het van de woorden van Johannes, Lucas en Mattheüs. Het paneel is mens geworden en heeft bij ons gewoond.

Wat je ziet is niet langer een sjabloon, een illustratie bij het woord, een blijmoedige maar onbetekenende aanvulling, een handreiking aan analfabeten. Nee, Fra Angelico verbetert en verdrijft het woord en vervolgens zie je niet langer de verlossing, of zelfs maar de hoop erop, niet langer een zingeving voor het menselijke lijden, hoe wankel dan ook, niet langer troost, maar pijn. Pure, simpele, menselijke pijn, in al zijn banaliteit en smerigheid. In al zijn onbeduidendheid. Met andere woorden, de kern van wat dat is, pijn. De goudkleurige cirkel achter de verlosser kan daaraan niets veranderen, sterker nog, die lijkt het allemaal alleen te benadrukken.

Als je wat langer in de ogen kijkt van deze Christus, meen je te weten waar deze pijn vandaan komt. De waanzin. Een waanzinnige is hij, die net genoeg bewustzijn over heeft om te begrijpen wat er met hem aan de hand is. Hij doorziet zijn waanzin, maar hij kan zichzelf er toch niet van verlossen.

Je kijkt met andere woorden naar iemand die inziet dat hij gaat sterven voor een vergissing.

En hoe leg je jezelf uit dat je gaat sterven voor een vergissing, wetende dat er geen weg terug meer is, hoe doe je dat?

Inderdaad, je roept: `Eloï, Eloï, lema sabachtani?' – Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?

Mensenzoon

Hoe beter de afbeelding van God en zijn familie, hoe krachtiger de afbeelding van bijbelse taferelen, hoe meer het woord uit de bijbel ontkracht wordt. Het geslaagde kunstwerk heeft iets dwingends, je accepteert de realiteit van het kunstwerk als de enige en de ware, je denkt: ja, zo zal hij er wel uitzien, en zo ziet zij er dus uit. Het besef dat deze afbeelding mensenwerk is, maar wel zoveel dwingender dan het woord uit de bijbel, reduceert vervolgens de bijbel zélf tot mensenwerk, het soort mensenwerk waarop wel 't een en ander aan te merken is.

De vraag die toeschouwer vervolgens bespringt luidt: wie kwam mij ook alweer redden, Fra Angelico of de mensenzoon?

God wist wat hij deed toen hij weigerde afgebeeld te worden.

Je kunt dan een uitweg zoeken, een beleefdheidsleugentje bedenken, en zeggen dat Fra Angelico bezeten was door het goddelijke vuur toen hij schilderde. Daarom is hij vermoedelijk ook heilig verklaard, maar dat neemt niet weg dat de toeschouwer alleen de neerslag van dat goddelijke vuur ziet.

En die neerslag is menselijk, al te menselijk. Voor het oog van de toeschouwer verkruimelt het monotheïsme.

Er is niet één, er zijn er tientallen, honderden. Ze lijken op elkaar, maar ze zijn toch allemaal weer anders, individueel, uniek – zo veel meer dan alleen symbool voor een versleten doctrine. Halfgoden zou je ze moeten noemen, alsof we weer bij Zeus c.s. zijn aangekomen. Halfgoden met al te menselijke verlangens en menselijke kwellingen, worstelend met de gevolgen van menselijke lust en onlust. Halfgoden die hun kruis af en toe verlaten om seks te hebben met gewone stervelingen. En wat erger is, net als wij schijnen ook zij geen flauw benul te hebben waar verlossing te vinden is.

Fra Angelico mag vurig hebben gebeden voor hij begon met schilderen, maar zijn talent was sterker dan zijn gebeden.

Stichtelijk is deze tentoonstelling niet. Fra Angelico verheft je niet. Hij laat je vallen. Hij laat de mens vallen.

De engelen zijn schandknapen, de madonna een boerendochter, half verdoofd en half waanzinnig, Jezus een jongeman die zijn eigen demon is geworden, en God is afwezig.

Als je verder redeneert kun je zeggen dat Fra Angelico aantoont waarom de westerse beschaving terug moest naar de afgoderij. Waarom de afgoderij nooit gestopt is. Dat is omdat het woord dat mens is geworden uiteindelijk te koud is, te abstract, te kil.

Toch kan ik niet zeggen dat zijn beelden de compensatie zijn voor dit tekort, dat zij troosten waar het woord dat niet meer doet.

Mooi zijn ze, ja. Maar hij toont aan dat wie gelooft in de troostende kracht van de schoonheid een heilloze weg bewandelt. De schilder die de mens heeft laten vallen raapt hem niet meer op. Zijn talent is een vloek.

Maar ook dan, juist dan: er moet iets worden aanbeden, al is het een afgod die zelf geen idee heeft wat er aan hem te aanbidden is. Een afgod die als het andere heeft gefaald ons tenminste nog een esthetisch genoegen verschaft. Een andere muizenval, die van de schoonheid.

De wereld volgens Fra Angelico is een contactadvertentie: mens zoekt afgod, wanhoop geen bezwaar.

Als je na het bekijken van mijn lievelings-Christus terugloopt naar koning David en daar nog even blijft staan, zie je wat David en de Christussen maar ook de madonna's en de engelen en de heiligen van Fra Angelico gemeen hebben. Ze krijgen het allemaal niet meer warm. Zoon van God of niet, madonna of niet, engel of niet, warmte is nergens te bekennen.

Dat is misschien wel de enige christelijke gedachte die het werk van Fra Angelico overleeft.

De warmte komt na de dood.

`Fra Angelico' is t/m 29 januari 2006 te zien in het Metropolitan Museum of Art, 1000 Fifth Avenue at 82nd Street, New York. Inl.: 00.1.212.5357710 of www.metmuseum.org