Kruispunt levenspad

Een publiekslieveling is hij; gevierd onder lezers van thrillers én high literature, omarmd door filmmakers, verslonden door middelbare scholieren die hem waarderen om zijn heldere taal en zijn spannende verhalen. Tim Krabbé is een van de bestverkochte literatoren van Nederland. De laatste jaren wordt hij bovendien geprezen door de literaire kritiek, die hem tot zijn eigen frustratie in het begin van zijn carrière niet serieus nam. Zowel bij Kathy's dochter (2002) als bij de mini-novelle Drie Slechte Schaatsers (2004) waren de positieve besprekingen ver in de meerderheid.

En dat terwijl Tim Krabbé het de beroepslezers niet makkelijk maakt – op diverse manieren. Drie Slechte Schaatsers was zó dun (circa 6000 woorden) dat de recensenten (met circa 1000 woorden) zich in bochten moesten wringen om niet het hele verhaal weg te geven. Kathy's dochter werd gepresenteerd als het verslag van Krabbés affaire met de dochter van zijn gestorven jeugdliefde; maar het verhaal leek te mooi om waar te zijn, waardoor menig bespreker zich verslikte in de vraag of dit nu autobiografie of fictie was. En Het gouden ei (1984) en De grot (1997), waren zozeer door plot gedreven dat het een krachttoer vergde om ze goed te analyseren zonder het plezier voor de lezer te bederven.

Dit laatste speelt ook weer een rol bij Krabbés nieuwe novelle Een Goede Dag voor de Ezel. In hogere mate zelfs, want hoewel de schrijver een sterk verhaal vertelt – vol moord, wraakgevoelens en perverse menselijke relaties – zit er ook een zwakke plek in. En om die aan te wijzen en te ontleden moet de clou helaas worden prijsgegeven. Krabbéfans die Een Goede Dag voor de Ezel argeloos en zonder voorkennis tegemoet willen treden, wordt dan ook aangeraden hier te stoppen met het lezen van de bespreking. Het motto van deze recensie is de waarschuwing die boven sommige filmstukken in het Britse tijdschrift Sight & Sound staat: `contains necessary spoilers'.

Een Goede Dag voor de Ezel is, zoals vele van Krabbés boeken, het verhaal van twee levenspaden die elkaar kruisen. De Amsterdammer Mischa Koreman, in wiens geest we in het eerste hoofdstuk verplaatst worden, is een weinig succesvolle schrijver die verlaten is door zijn vriendin en rondloopt met wraakgevoelens. Hij gaat zelfs zo ver dat hij een pistool koopt en naar een bos in het oosten des lands rijdt om er schietoefeningen te doen. Daar, in Doemerveen, krijgt hij berouw-voor-de-zonde en komt hij terug op zijn voornemen – uit lafheid, denkt hij zelf; uit gevoel voor proportie denk je als lezer na zijn innerlijke monoloog. Na een (mislukt) schot op een boom stapt Mischa in de bus terug naar IJperloo, waar zijn auto staat.

Enter Esther Fechter, een schoolmeisje met `een lief gezicht dat op het punt stond waar het zou moeten kiezen tussen lelijk worden en mooi'. In de gevulde bus, en ten overstaan van talloze passagiers die niets anders doen dan zich generen, wordt ze seksueel geïntimideerd door een agressieve kinkel. De vernedering is zo diep, en Mischa schaamt zich zo voor de collectieve lafheid, dat hij de kinkel de bus uit volgt en hem zonder plichtplegingen neerschiet. Hij rijdt terug naar Amsterdam, ontdoet zich van het pistool en zijn kleren (onder meer een gele ijsmuts) en wacht op de dingen die komen gaan. `Misschien stond de politie al voor de deur. Maar hij was te moe om zich daar zorgen over te maken. Het kon hem niet schelen, zoals je ook wel eens las over bergbeklimmers die in de sneeuw bleven liggen.'

Mischa heeft geluk, de Man met de Gele IJsmuts wordt niet opgespoord, en omdat zijn slachtoffer een fascistische verkrachter blijkt te zijn, groeit hij anoniem zelfs uit tot een nationale held. In hoofdstuk drie, korte tijd later, zien we hem terug in Sydney, met een nieuwe liefde en worstelend met zijn geweten. Want hij is gelukkig geworden door alles wat volgde op een moord: `het was alsof hij met een vals toegangskaartje het paradijs was binnengekomen.' Het is een geheim dat hij niet voor zijn nieuwe liefde kan of wil verbergen. Wachtend in een café aan de kade realiseert hij zich dat hij het haar moet vertellen – met alle gevolgen vandien.

En dan gebeurt het. Aan zijn tafeltje komt een meisje zitten, een `breekbare schoonheid' met een pandarugzakje. Het is Esther Fechter, die met haar vader een wereldreis maakt om te herstellen van het seksueel schrikbewind dat de kinkel in de bus – zo weet de lezer dankzij hoofdstuk twee – een tijdlang over haar heeft uitgeoefend. In de twee minuten die hun ter beschikking staan terwijl vader afrekent, bedankt Esther hem `klaar en helder'. Het is de absolutie die Mischa nodig heeft om zichzelf een biecht bij zijn nieuwe vriendin te besparen. `Hij had een goede daad verricht, niet iets waarvoor hij moest worden gestraft.'

Het succes van Krabbés novelle – genoemd naar een levend standbeeld dat toevallig zowel van Mischa als Esther veel geld in zijn bakje krijgt – staat of valt met het geloof van de lezer in wonderen. Ik moet zeggen dat mijn suspension of disbelief knapte bij de regels `Zij herkende hem./ Hij herkende haar.' Esther is een dea ex machina zoals we die niet meer gehad hebben sinds Afrodite de Trojaanse prins Paris weghaalde onder het zwaard van de Spartaan Menelaos. Ik zal geen Droogstoppel spelen door voor te rekenen hoe groot de kans is dat twee Nederlanders elkaar geheel onverwachts tegenkomen aan het andere eind van de wereld. Maar zelfs als die kans één procent was, dan nog zou ik die niet willen teruglezen in een roman.

Toeval is een van de leidende motieven in het werk van Krabbé. Maar de ontmoeting tussen Esther en Mischa is van een andere orde dan de verdwijning van Saskia in Het gouden ei, of zelfs dan de ontknoping van De grot (die we hier verder ongenoemd zullen laten). Ze is kinderachtig en verpest met terugwerkende kracht de mooie dingen in Krabbés novelle: de treffende vergelijkingen, zoals waanzin die `als een ijsblokje' in het hoofd zit, of een levend standbeeld dat lichtjes wankelt `als een zonnebloem bij windkracht nul'; de overtuigende psychologie, bijvoorbeeld die van van een man die gek wordt van de moord die hij op het punt staat te plegen; en vooral de dramatic irony waarin Krabbé grossiert.

Een goede illustratie van die ironie – de lezer weet wat de personages niet weten – is de passage waarin Krabbé uitgebreid de wraakgevoelens van Esthers vader beschrijft wanneer hij hoort dat zijn dochter verkracht is. Wybren Fechter zal er niets mee doen, hij is het typische voorbeeld van de door Mischa genoemde mens met een rem (`die zorgde dat je zulke dingen, hoe onontkoombaar ze ook voelden, niet deed'). Maar dat hoeft ook niet, want de wraak is op dat moment net voltrokken door Mischa, die vergelijkbare gevoelens had ten opzichte van zijn ex en ze uitleefde op de terroristische buspassagier.

Als Een Goede Dag voor de Ezel een overtuigend plot had gehad, dan zou je nog tevreden kunnen constateren dat Krabbé opnieuw mooi over alledaags geluk schrijft – iets wat ook de betovering van Drie Slechte Schaatsers uitmaakte. Of dat hij nog een aardig open einde in petto heeft, omdat het natuurlijk maar zeer de vraag is of Mischa's wroeging weg zal blijven. Had Tim Krabbé zich in Een Goede Dag voor de Ezel maar geconcentreerd op de psychologie van een man die wegkomt met een `goede moord' en vervolgens in gewetensnood komt. Dan hadden we een interessante variatie gehad op de klassieke Woody Allen-film Crimes and Misdemeanors, waarin een man zijn brave minnares straffeloos van kant maakt. Nu blijft ons weinig meer over dan een krachteloos sprookje.

Tim Krabbé: Een Goede Dag voor de Ezel. Prometheus, 120 blz. €14,95