Joris' meestertrap

De bal was hooguit drie meter onderweg toen ik mij afvroeg of ik nu trots op mezelf moest zijn of op de schutter. Vrijwel meteen nadat de bal van de linkervoet van Joris Mathijsen was vertrokken, verheugde ik mij over de afloop. Ik wist: hier stond iets bijzonders te gebeuren. Met mijn mooie uitzicht vanaf de tribune had ik gemakkelijk praten, maar de tinteling was er niet minder om. Mathijsen stond op `mijn' hoogte, bij de middenlijn, en de bal ging van de linker zijlijn – van onze kant – diagonaal naar de rechtsbuitenplaats, eerst tussen enkele spelers door en dan over een stel andere heen, als antwoord op verschuivende panelen elders op het veld. Ergens in de verte hadden enkele Italiaanse verdedigers een paar stappen naar voren gedaan, en Romeo Castelen deed in de buurt van de rechterzijlijn hetzelfde, maar dan in tegenovergestelde richting, een verrassing leek mogelijk.

Zoals het hoort bij een voetballer vol zelfvertrouwen vielen zien en handelen vrijwel samen. Dat maakte het zo opwindend: Joris vanaf zijn lage, dus moeilijke positie en ik vanaf mijn hoge positie zagen tegelijk hetzelfde en hij deed wat ik hopelijk – dromen staat vrij, nietwaar? – gedaan zou hebben als ik zo goed was als hij.

Meestal trappen verdedigers een bal hoog en ver naar voren zonder een concreet doel. Ik haat die ballen. Meer dan een schietgebedje, dat een ploeggenoot in de voorhoede er iets goeds mee zal doen zit doorgaans niet in die ballen verborgen. Zulke trappen missen alles wat voetbal inspirerend kan maken – gevoel voor afstand, richting en verschuivende panelen. Zulke ballen zijn voor de armen van geest, de besluitelozen. Niks zo erg als kijken naar een speler die twijfelt. Daarom kijk ik zo graag naar Joris Mathijsen.

De kordate precisie waarmee hij die bal verstuurde bracht een lichte vorm van euforie in mij teweeg. Conform de wetten van de Hollandse School dacht en handelde de verdediger, opgevoed bij Willem II en AZ, bakens van het voorwaartse balgevoel, als een aanvaller. De bal moest voor de voeten van de pakweg vijftig meter verderop sprintende Castelen neerkomen en dat deed hij – ja! ja! goed zo Joris! – tot op de decimeter nauwkeurig.

De rechtsbuiten van Oranje viel over de bal. Zul je net zien. Had hij dat niet gedaan, dan had hij in z'n eentje naar het Italiaanse doel kunnen lopen en scoren. Dan had iedereen het de afgelopen week over die lange bal van Joris Mathijsen gehad. En was ik nu dus niet de enige geweest.