Hoe fotogeniek is een Gronings schaap?

Begin jaren dertig. Zes autobussen, naast elkaar geparkeerd. Ze zijn van bovenaf gefotografeerd. In de meeste zitten al of nog passagiers en op twee van de zes bestuurdersstoelen zit een chauffeur. Dat is allemaal goed te zien omdat het bussen zonder dak zijn, zeg maar cabriobussen. Het is een foto uit Verborgen verwantschappen, Rudy Kousbroeks tweede bundeling `fotosyntheses' oftewel mini-essays naar aanleiding van foto's. Soms wandelt de schrijver met de lezer aan de hand door een foto en wijst hij allerlei details aan; vaker nog is de foto ook een vertrekpunt voor een beschouwing over veel meer. De open bussen brengen Kousbroek, geboren in 1929, bijvoorbeeld terug naar zijn jeugd. `Zo zagen volwassenen er toen nog uit', schrijft hij over de inzittenden. `Ze keken naar de wereld met grotemensen-ogen en droegen grotemensen-kleren. Niet de voddige vergrote kleuterkleren van nu.' Behalve de kleding van toen roemt Kousbroek ook de bussen van toen. Hij vindt ze mooi omdat ze zo onopgesmukt zijn. Zo verschoond nog van de stroomlijn, `de modieuze boosdoener die de wereld onherstelbaar lelijk heeft gemaakt'. Aerodynamische ontwerpen verhullen vaak de constructie, terwijl Kousbroek nu juist graag kijkt naar vervoermiddelen of apparaten die eruit zien alsof je ze zelf zou kunnen bouwen. `Dat kan namelijk, het is niet moeilijk, het is bijna een bouwdoos', schrijft hij over een modernistische schemerlamp uit 1927. Hetzelfde gevoel krijgt hij bij een foto van een ornithoptère, een primitieve vliegmachine uit 1911, of van een Filippijns kerkorgel met pijpen van bamboe. Over al dit vernuftigs schrijft Kousbroek zo enthousiast dat zelfs de a-technische lezer erdoor wordt meegesleept.

Zijn jeugd is een ander onderwerp dat door veel foto's wordt opgerakeld. Dat hij zijn kinderjaren in Nederlands-Indië doorbracht speelt soms een rol, bijvoorbeeld als hij schrijft over vogels die hij toen hoorde (en nu in een vogelgids terugziet) of over een groep Sumatraanse mannen in witte pakken die poseren voor een boom van wel zestig meter hoog, het enige restant van een verder gekapt oerwoud. Maar ook foto's van een vervallen plantershuis in Louisiana of Groningse boerenkinderen met een schaap roepen Indische herinneringen op. Sommige jeugdherinneringen zijn niet specifiek Indisch: als hij over de `grote mensen' in de bus schrijft, gaat het niet om de plaats maar om het tijdsbeeld. Een enkele keer inspireert een foto hem zelfs tot een verhandeling over de jeugd in het algemeen, ongeacht tijd en plaats. Hoewel de meeste mensen zich in hun kinder- of adolescentenjaren niet bewust zijn van de gelukzaligheid van de jeugd, bestaan er volgens Kousbroek fotografen die hun onderwerp meteen al registreren `met de blik van iemand die er een mensenleven later aan terug zal denken.'

Overigens behoort het verwaarloosde plantershuis in Louisiana tot een derde groep favoriete onderwerpen van Kousbroek, namelijk ruïnes of – minstens zo interessant – gebouwen in verval. Het Groningse schaap behoort tot een vierde categorie, die waarschijnlijk de grootste is. Over geen mens schrijft Kousbroek zo begeesterd als over de dieren. Hij kan schaamteloos sentimenteel worden over een kip, paard of varken, maar verliest de harde realiteit nooit uit het oog. Meer dan eens grijpt hij oude foto's, waarop dieren nog als bijzondere of juist alledaagse individuen worden voorgesteld, aan om iets te zeggen over de bio-industrie. `Wij hebben de grootste varkensdichtheid ter wereld, er zijn hier bijna evenveel varkens als mensen. (...) Nederland is een gigantische vleesmolen, waar dag en nacht dieren in worden vermalen.'

Apparaten en mensen, gebouwen en dieren – liefst `met andere dan esthetische motieven' gefotografeerd: allemaal zetten ze bij Kousbroek een jaloersmakende associatiestroom in gang. Je krijgt het behaaglijke gevoel dat alles met alles samenhangt, en dat Kousbroek begrijpt hoe. Behalve uit zijn eigen hoofd dist hij veel op uit boeken, maar dat ontaardt nooit in het ijdel etaleren van zijn belezenheid. Alle rare feiten, ontroerende verhalen en mooie zinnen verrijken zijn beschouwingen en sporen aan tot verder lezen, in andere boeken bedoel ik. Toch zou Kousbroek het ook zonder andermans zinnen en visies af kunnen, want die van hemzelf zijn geestig en verrassend genoeg. Ze kunnen worden opgeroepen door één foto, waarin hem meer opvalt dan menige lezer. Want die autobussen en die volwassenen van toen, daar valt veel over te zeggen, maar hoe bereikten deze passagiers in een bus zonder gangpad en met maar één deur eigenlijk hun stoelen?

Rudy Kousbroek: Verborgen verwantschappen. Augustus, 144 blz. €19,95.