Het succes van de sukkel

In `Broken Flowers', de nieuwe film van Jim Jarmusch, speelt Bill Murray opnieuw een tobbende 40-plusser. Films over oudere losers zijn steevast een kassucces. `Als het je vader was, zou je je kapot schamen.'

Zit-ie weer. Nu draagt hij geen ochtendjas maar een trainingspak. Hij bevindt zich niet in een hotel maar in zijn eigen woonkamer. Maar hij zit wel weer als een slaapwandelaar op de bank en kijkt voor zich uit met zo'n blik van oneindige en onbestemde droefenis. Don Johnston uit Jim Jarmusch' Broken Flowers is een tweelingbroer van Bob Harris uit Lost in Translation. Ze zijn natuurlijk allebei Bill Murray, dat is alvast de eerste overeenkomst. Maar zelfs als Murray ze niet had gespeeld, dan nog hadden we ze herkend als familie van elkaar en van het archetype dat Murray de laatste jaren heeft opgebouwd. Het is het archetype van de oudere loser, en sinds de dagen van Laurel en Hardy is die niet meer zo succesvol geweest als nu.

Met zijn hondenblik, zijn het-zal-wel uitdrukking die tussen cynisme en gelatenheid dobbert, heeft Murray school gemaakt. Je hoeft maar even verder te denken aan ochtendjassen en daar doemen Michael Douglas (in Wonder Boys), Kevin Spacey (American Beauty) en Jeff Bridges (The Big Lebowski) al op. Kindse mannen, te onvolwassen om zichzelf fatsoenlijk aan te kleden, laat staan om zich flink te weren tegenover tegenslag. Halverwege hun leven weten ze zich al verslagen. Soms zijn ze murw, soms zijn ze verongelijkt, altijd zijn ze verrukkelijk bespottelijk – en meestal weten ze het zelf ook.

Zie maar hoe Don Johnston (Murray dus) in Broken Flowers in slaap valt op die bank. Aangekleed, op zijn buik, zijn mond hangt halfopen op het leer. Je kunt bij wijze van spreken het speeksel zien aankoeken in zijn mondhoek. Hij is steenrijk hoor, het is een leren bank in een kast van een huis, dus een echte loser mag je hem niet noemen, maar kijk hem nou. Als het je vader was zou je je kapot schamen.

Zou in de projectie van schaamte de sleutel voor het succes van deze films zitten? Want succesvol zijn ze; tobbende 40-plussers zijn een genre geworden. In dit genre vinden we niet alleen films met Bill Murray, maar ook met andere sterren, of liever anti-sterren. Films als Sideways, Wonder Boys, American Beauty, de films van Wes Anderson (The Royal Tenenbaums, The Life Aquatic) van de gebroeders Coen (The Big Lebowski, Intolerable Cruelty) en alle films met de ultieme sukkel Paul Giamatti (Sideways, American Splendor, Storytelling) hebben de box-office een ander aanzien gegeven en een plaats veroverd naast de hormonenkomedies en de knokfilms voor pubers. Deze films zijn voor een publiek dat de bioscoop in de jaren negentig voorgoed vaarwel leek te hebben gezegd, de 35-plusser. Dit zijn zíjn angsten die hier op het doek worden geprojecteerd en hij geniet hier van de gênante situaties waarin zijn oudere broer verzeild raakt.

Gevoelige snaar

Er zijn twee redenen voor het succes van de tobber en voor de opmars van zijn genre. De belangrijkste reden is ongetwijfeld economisch – we hebben per slot van rekening te maken met de filmindustrie bij uitstek, de Amerikaanse. Daar ontstaat een genre altijd in de wisselwerking tussen makers en publiek. Heeft een film een gevoelige snaar geraakt, dan kun je wachten op vele opvolgers.

American Beauty van Sam Mendes (1999) zou wel eens de aanzet kunnen zijn geweest. In de tijd dat Bill Murray zijn cynische blik en droge stemgeluid nog inzette voor gewoon-komische films als The Man Who Knew Too Little of Charlie's Angels, speelde Kevin Spacey in American Beauty een tobber zonder weerga. Eentje die zichzelf genadeloos te kijk zet in al zijn falen. ,,Over een jaar ben ik dood'', vertelt hij in het begin in voice-over, ,,maar feitelijk ben ik al dood''. En inderdaad, hij sneuvelt als hij eindelijk iets heeft ondernomen om zich aan zijn lot te ontworstelen.

Als we het zo samenvatten, lijkt American Beauty een loodzware tragedie, maar juist Kevin Spacey maakt er een komedie van. Zijn personage, Lester Burnham, becommentarieert zichzelf met bijtend sarcasme. ,,Kijk me nou, sta ik mezelf af te trekken onder de douche. Dit is het hoogtepunt van de dag. Van hier gaat het allemaal bergafwaarts.'' Even hardhandig als hij in de overmoed van zijn jeugd zal hebben afgerekend met de generatie voor hem, rekent hij als veertiger nu met zichzelf af. De zwarte humor, de zelfspot van de personages, ondersteund door meewarige blikken als zij het over zichzelf hebben, maakt de gêne draaglijk en het genre zo succesvol als het is.

American Beauty won vijf Oscars, waaronder die voor beste film, maar belangrijker: hij had 15 miljoen dollar gekost en bracht in de bioscoop naar schatting ruim 356 miljoen op, een 24-voudiging van elke geïnvesteerde dollar. De absolute bedragen vallen natuurlijk in het niet bij de miljarden van filmseries als The Lord of the Rings, Star Wars of Matrix, maar relatief is het uiterst indrukwekkend. De Matrix-trilogie bijvoorbeeld kostte in totaal 478 miljoen dollar (409 miljoen euro) en leverde 1,6 miljard op, een winstfactor van 3,4. Sideways van Alexander Payne, dé loser-hit van 2005, kostte zo'n 16 miljoen dollar (13,6 miljoen euro) en heeft alleen al in de bioscoop intussen bijna het tienvoudige opgebracht. Broken Flowers van Jim Jarmusch, die volgende week in Nederland uitkomt, is vooralsnog bescheidener. Hij heeft zo'n 10 miljoen dollar (8,5 miljoen euro) gekost en inmiddels bijna 31 miljoen opgebracht – maar die is wereldwijd nog niet uitgedraaid.

De reden om zulke films te maken is dus heel simpel: je kunt er goed aan verdienen. Ook gepatenteerde winnaars uit oudere films, zoals Michael Douglas en George Clooney hebben het type onder de knie gekregen en klunzen en tobben naar hartelust in films als Wonder Boys en Intolerable Cruelty. Michael Douglas is een van de betrouwbaarste graadmeters voor hipheid van een filmgenre. Hij was in 1979 nog een baardige links-geëngageerde cameraman in The China Syndrome. Zijn ijskoude zakenman in Wall Street was het archetype van de Reagan-jaren. In de jaren '90 speelde Douglas meermaals een angstige man die de weg in eigen land was kwijtgeraakt (Falling Down, Disclosure) en met veel geweld terugsloeg.

Geen geweld in Wonder Boys, of het moest de hond zijn die in zijn enkel bijt. Voor deze film van Curtis Hanson liet Douglas zich in een roze ochtendjas hijsen, hij waste zijn haar een paar weken niet en zette een leesbril op – sukkel. Hij is een oudere schrijver en docent wiens succesroman al weer te lang geleden is verschenen. Zijn vrouw heeft hem vandaag verlaten en hij heeft een miezerige affaire met de vrouw van zijn professor. De roman die hij schrijft is onder zijn machteloze handen uitgedijd tot bladzijde 2611 en nog geen eind in zicht. In zijn nek blaast de hete adem van een getalenteerde student, die kordaat genoeg was om de bijtende hond dood te schieten.

De enige kans op overwinning die hem nog rest is het waardig accepteren van al zijn nederlagen. `I've been trying to get as far away from myself as I can', zingt Bob Dylan in de titelsong van de film, Things Have Changed – in alle opzichten verwijzend naar het triomfalisme dat de uitgebluste professor nog omgeven moet hebben in de jaren zeventig, in zijn jeugd.

Snaarzijde

Daar hebben we de tweede reden voor het succes van dit genre, de snaarzijde, zullen we maar zeggen. Waarom is er een groeiend publiek dat graag naar tobbers kijkt? Omdat de tobbers een uitvergroting zijn van het angstbeeld van dat, vaak wat oudere publiek. De leegte van zijn succes is wat Bob Harris in Lost in Translation wakker houdt. Hij is een beroemd acteur die in Japan een whisky-reclame komt opnemen en geen idee heeft waarom, behalve voor het geld. Maar geld was toch juist waar het de generatie uit de jaren zestig en zeventig níet om te doen was? Het is precies zo met Don Johnston uit Broken Flowers. Hij is rijk geworden door iets met computers, maar geld is een zinloos instrument om zijn spleen te bestrijden. Dat is waar hij naar tuurt, als hij op zijn bank zit: ergens moet zich toch de zin van zijn leven bevinden.

Johnston krijgt een anonieme brief van een oude geliefde: zij heeft een zoon van hem. Johnston heeft geen idee wie het kan zijn. Helemaal het kind van de jaren zestig of zeventig, groot genoeg om te neuken, te klein om de verantwoordelijkheid ervoor te nemen. Onmacht om serieuze relaties in stand te houden is een vast element in de tob-film. De beide mannen die op vrijgezellentocht gaan in Sideways hebben daar ieder hun eigen oplossing voor: de een ontvlucht ze, de ander trekt iedere vrouw die hij tegenkomt het bed in, tot aan de lelijke dikke serveerster toe, onder het motto: ,,Dat is soms ook leuk, het dankbare type.''

Het is geruststellend om deze mannen zo grandioos te zien falen op het grote doek, daar zinken onze eigen nederlagen bij in het niet. Ze hebben, dat is eigen aan een genre, daar ook vaste, duidelijk herkenbare attributen met symbolische waarde bij. Kalmeringspillen en anti-depressiva. Softdrugs – de joint is gewoner dan de sigaret in de tob-film. In Broken Flowers wordt Don Johnston door zijn buurman betrapt als die een jointje staat te roken. ,,Pappa, je rookt'', gilt zijn zoontje. ,,Nee, echt niet! Dit is een jointje, er zit helemaal geen tabak in'', zegt de oud geworden rasta.

De auto met open dak is ook zo'n tobber-symbool. Liefst rijdt zo'n oudere jongere daar in, dak open, radio keihard en maar meebrullen met muziek anno 1970. Kevin Spacey in American Beauty luchtgitaart op American Woman. Geoffrey Rush zingt in Intolerable Cruelty mee met `The Boxer' van Simon & Garfunkel. Hij heeft zijn dunne haar nog in een staart, een vage herinnering aan de rebellie uit zijn jeugd. De auto toont zijn materiële welstand, al het andere is waardeloos, zoals we meteen merken wanneer hij zijn auto, de radio nog aan, bij zijn kapitale huis neerzet en er een busje staat van een zwembadschoonmaker. Hij en zij vrouw hebben helemaal geen zwembad: wat doet die jongen overdag in zijn huis?

Mannelijkheid

Het meest symbolische attribuut in dit genre is wel de ochtendjas. Die verenigt in zijn badstof alle belangrijke tob-elementen: het defaitisme, de indolentie, het verlies van mannelijkheid.

In dat gebruik van vaste attributen lijken deze losers op hun verre voorvaderen uit de filmgeschiedenis: de verschoppelingen uit de gloriedagen van de komische stomme film. Laurel en Hardy en Charlie Chaplin. Er is een belangrijk verschil. De komieken van de stomme film grepen voor hun typetjes naar attributen die naar materiële welstand verwezen, maar die tegelijkertijd zo versleten waren dat ze met welstand duidelijk niets meer te maken hadden en dus des te scherper tekenen waren van hun verval: de bolhoed, het pak, de das, het horloge aan de ketting en de snuifdoos van Chaplin. Doodarm, maar trots.

Laurel en Hardy waren economische verliezers – `Mr. Laurel en Mr. Hardy investeerden hun hele vermogen in de onroerend-goedbranche', staat op de eerste tussentitel van The Music Box. `Dus namen zij hun $3,48 en kochten een verhuiswagen'. Zij hoorden bij een tijd dat Amerika echte armen kende, die blij waren dat ze in de bioscoop om nóg armere drommels konden lachen, die bovendien werkelijk in alle opzichten pech hadden.

De verliezers van nu moeten een publiek bereiken dat economische armoede nauwelijks nog kent. Wat zíj verloren hebben, is niet hun geld, maar het kapitaal van de huidige generatie: hun jeugd. En ze houden daarom des te verbetener vast aan de attributen en de attitudes die bij hun jeugd horen.

Eén ding hebben de acteurs van nu in elk geval regelrecht gekopieerd van hun voorzaten, en dat is de blik opzij, de camera in. Oliver Hardy was er de onbetwiste kampioen van. Kijk nou, mensen, wat ik moet doormaken – zo'n blik, soms een zucht erbij. Jarenlang was die vrijwel taboe, Bill Murray heeft hem eigenhandig weer tot stijlfiguur verheven. Hij maakt ons in de zaal in een oogwenk tot medestander, maar wel een superieure medestander. En dat is precies wat we willen.

`Broken Flowers' draait vanaf donderdag 24 november in de bioscoop.