Geen pasklare modellen

De onlusten in Frankrijk hebben meer doen sneuvelen dan auto's leen, ook heel wat `modellen' zijn failliet verklaard. De brandstichtende jongeren toonden de wereld niet alleen de mislukking van het Franse integratiemodel, ook het sociale model moest het ontgelden: waren het immers niet werkloze jongeren die in opstand kwamen? Het model van het Franse grotestedenbeleid deugde al evenmin, laat staan het onderwijsmodel. En Theodore Dalrymple ten slotte wees op de desastreuze uitwerking van het dominante model van mannelijkheid ter verklaring van het destructieve gedrag van de betrokken jongens (Opinie & Debat, 12 november).

Deze massieve aanval deed denken aan het Nederlandse debat van enige jaren geleden waarin ook alles wat met integratiebeleid te maken had op de mestvaalt van de geschiedenis werd gekieperd vanwege het failliet van het `multiculturele model'. In het artikel van Jan Marijnissen en Fenna Vergeer op de Opiniepagina van 16 november zien we deze historische schoonmaakwoede weer terug: alles wat in Nederland tot nu toe is gebeurd op integratiegebied is verkeerd geweest (een model van `vrijblijvendheid' en `apartheid').

In dit type redeneringen zijn problematische praktijken dus een rechtstreeks gevolg van funeste modellen. Frankrijk geloofde in de laicité, in de Verlichting en Voltaire, en zie daar: achterstandswijken zijn het gevolg. Nederland joeg een multiculturele illusie na en zie: een multicultureel drama was het gevolg. Redeneren aan de hand van geabstraheerde modellen houdt de wereld overzichtelijk: scherpslijpers – en dat zijn er nogal wat in het integratiedebat – weten precies waar(voor) ze staan.

Juist omdat de problemen in Frankrijk en Nederland zo sterk op elkaar lijken, rijst de vraag of invloed van dergelijke nationale modellen niet wordt overschat. Als we Cliteur, Scheffer, Hirsi Ali, Verdonk en andere Nederlandse aanhangers van het Franse model zouden moeten geloven, dan had de Franse integratie immers veel succesvoller moeten zijn.

Deze ideologen zullen zich nu vertwijfeld afvragen hoe in Frankrijk, hun gidsland, zoveel onvrede blijkt te kunnen bestaan. Want ook daar – en niet alleen in het, in hun ogen o zo vermaledijde, multiculturele Nederland – zien we dat de werkloosheid onder jonge migranten significant hoger ligt dan onder de autochtone bevolking, dat sprake is van gesegregeerde wijken én van hoge schooluitval en criminaliteit onder de allochtone jeugd.

Niet alleen de problemen, ook een deel van de oplossingen in beide landen lijken verdacht veel op elkaar. Onder druk van de omstandigheden ging de Franse regering, ondanks haar verzet tegen `communautarisme', steeds meer aandacht geven aan groepen bewoners met grote achterstanden.

Dit gebeurde zowel in positieve zin (extra geld voor gebieden waar veel migranten wonen) als in negatieve (ethnic profiling door de politie komt in het `kleurenblinde' Frankrijk minstens zo vaak voor als elders). Premier Sarkozy was bovendien voorstander geworden van zoiets on-Frans als `positieve discriminatie' – domweg omdat niet langer te ontkennen viel dat niet zozeer individuen maar specifieke groepen systematisch meer achterstand en achterstelling kennen. Net zoals in Groot-Brittannië, Duitsland en Nederland vormen de problemen in Frankrijk een ingewikkeld sociaal-economisch én sociaal-cultureel mengsel: de werkloosheid is hoog, maar toch vooral onder groepen jongeren die er `anders' uit zien. Alles zetten op werk, werk, werk, zoals Sjoerd de Jong in deze krant van 10 november bepleit, is sympathiek maar uiteindelijk ineffectief als dat beleid geen rekening houdt met het feit dat discriminatie op de arbeidsmarkt in alle landen een culturele component kent.

De aanpak van de rellen mag dan tot op zekere hoogte wél typisch Frans zijn geweest (heftig politieoptreden leidend tot verdere escalatie), het gebrek aan subtiliteit dat de Franse regering kenmerkte, herkennen wij ook in het optreden van onze minister van Integratie. Kleineren (,,migranten hebben een lager incasseringsvermogen'') en negeren (,,mij is geen enkel voorbeeld van discriminatie op de arbeidsmarkt bekend'') worden ook hier soms verward met regeren.

Er zijn dus meer overeenkomsten in beleid, problemen en praktijk tussen Frankrijk en Nederland dan verschillen. Zeker, voor een deel komt dit doordat het Nederlandse beleid in de afgelopen jaren is verfranst: de pragmatiek van Paars I en II is ingeruild voor ideologische spierballerij. Dat zowel de problemen als de gezochte oplossingen in beide landen sterk op elkaar lijken, komt echter vooral doordat de invloed van uiteenlopende ideologische `modellen' sterk wordt overschat.

Net zomin als Nederland eenduidig `het' multiculturele model heeft gevolgd, was Frankrijk louter een toonbeeld van republikanisme en laicité. Sommige Nederlandse onderzoekers, die de resten van de verzuiling aanzien voor de resultaten van dolenthousiast multicultureel beleid, zijn empirisch gesproken even slecht geïnformeerd als iemand die zou menen dat de jeugd in de Franse voorsteden als militante moslims in opstand zijn gekomen tegen het model van de laicité.

De commissie-Blok die inderzoek deed naar de integratie van nieuwkomers overdreef een beetje toen ze meldde dat de succesvolle integratie van talloze migranten in Nederland bereikt was ondanks het integratiemodel van de Lage Landen. Maar er school een kern van waarheid in haar conclusie: de samenleving is niet modelmatig maakbaar – en zeker de multiculturele niet.

Jan Willem Duyvendak is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is onder andere gespecialiseerd in stedelijke vernieuwingsvraagstukken in Nederland en Frankrijk.