En het werd uitgewist

De digitale revolutie zal onze literatuur ingrijpend veranderen. De vraag is alleen hoe. Tonnus Oosterhoff laat zien wat een groot dichter met een nieuw medium allemaal kan.

Een boodschappentas kan voor veel worden gebruikt, maar is primair bedoeld voor het vervoer van boodschappen. De vraag of de vorm, omvang, aard en kleur van de boodschappentas van invloed is op de aard van de boodschappen, is relevant. Het is evenzeer van belang zich af te vragen in hoeverre de beschikbaarheid van een boodschappenwagentje, fietstas of achterbak van invloed is op de aard van de boodschappentas.

Taal kan voor veel worden gebruikt, maar is primair bedoeld voor de overdracht van gedachten. Sinds mensenheugenis bestaat er ook speciale taal: taal die zich door vormgeving, stilering of op welke manier dan ook onderscheidt van alledaagse taal. Zulke taal is kunst. We noemen haar literatuur. Zij bereikt medemensen via geluidsgolven in de lucht, via inkt op perkament, via drukinkt op de pagina's van een boek of via fotonen op een beeldscherm. De vraag waar het ons om gaat, is de vraag of de aard van deze media van invloed is op de aard van de literatuur. Het antwoord op deze vraag is ja.

In de geschiedenis van de westerse literatuur hebben er vier revoluties plaatsgevonden die direct voortkomen uit de uitvinding van nieuwe media. De eerste revolutie is de uitvinding van het schrift, of, meer nog, de ontdekking van de mogelijkheid om literatuur vast te leggen op schrift. Deze revolutie voltrok zich ergens in de zevende of zesde eeuw voor het begin van onze jaartelling. Uiteraard kunnen we moeilijk vaststellen in hoeverre de uitvinding van het schrift de literatuur heeft veranderd, omdat het moeilijk is om wat wel is opgeschreven te vergelijken met wat niet is opgeschreven. Maar we hebben Homerus. Zijn heldendichten hebben vorm gekregen op het breekpunt van een orale cultuur naar een schriftcultuur. Zijn poëzie vertoont allerlei kenmerken die eigenlijk alleen te begrijpen zijn als functionele hulpmiddelen in een traditie van mondelinge improvisatie, zoals een uitgebreid systeem van formulaire dictie en vaste stramienen voor typische scènes.

De tweede revolutie is de uitvinding van de codex. Zo rond de vierde of vijfde eeuw bedacht men dat het handig was om teksten niet langer op lange rollen papyrus te schrijven, maar op afzonderlijke vellen perkament die aan één zijde bijeen werden gehouden door een band. Het onmiskenbare voordeel was dat je opeens kon bladeren in een boek. Met de uitvinding van de codex werd het mogelijk om dingen op te zoeken.

De derde revolutie is de uitvinding van de boekdrukkunst. De impact daarvan op de literatuur kan nauwelijks worden overschat. De opkomst van literatuur in de volkstaal, de brede beschikbaarheid van teksten uit de Oudheid, de brede verspreiding van teksten in het algemeen, het einde van het rooms-katholieke monopolie, de wedergeboorte van de roman, de individualisering van poëzie in de Romantiek, zouden allemaal ondenkbaar zijn geweest zonder drukpersen. De simpele aanpassing van het medium heeft de literatuur, de cultuur en de wereld in het algemeen een onherkenbaar ander uiterlijk gegeven.

De vierde revolutie is de interessantste, althans voor ons, want we zitten er middenin. De gevolgen van de digitale revolutie zijn op dit moment moeilijk in te schatten. Maar het is duidelijk dat onze schrijfcultuur in luttele jaren volledig is veranderd door intensief gebruik van e-mail, dat onze sociale structuren zijn gewijzigd door mobiele telefonie en msn, dat sms onuitwisbare sporen heeft nagelaten in onze taal, speciaal in de sjabloontalen van bepaalde groepen jongeren en dat het World Wide Web een revolutie teweeg heeft gebracht in onze kijk op informatie.

Uiteraard zal deze revolutie onze literatuur veranderen, zoals alle vorige revoluties dat ook hebben gedaan. We weten alleen nog niet goed hoe. Als we een hedendaagse, Nederlandse Homerus zoeken, in wiens poëzie de sporen van oud en de tekenen van nieuw naast elkaar staan en het breekpunt zichtbaar is, dan is het Tonnus Oosterhoff.

Hij geldt als de grootste levende Nederlandse dichter en dat is hij ook. Hij debuteerde in 1990 met de bundel Boerentijger, die werd bekroond met de C. Buddingh'-prijs. Vervolgens verschenen de bundels De ingeland (1994, bekroond met de Herman Gorterpijs) en (Robuuste tongwerken,) een stralend plenum (1998, bekroond met de Jan Campertprijs). Zijn laatste bundel, We zagen ons in een kleine groep mensen veranderen (2002), werd bekroond met de VSB Poëzieprijs van 2003. Al zijn poëzie is nu bijeengebracht in de verzamelbundel met de typfoutgevoelige titel Hersenmutor.

Oosterhoff heeft zich altijd ongemakkelijk gevoeld bij het definitieve karakter van de traditionele poëzie. Sinds Horatius schrijven dichters gedichten als monumenten, `duurzamer dan brons,' maar Oosterhoff wil dat niet. Al in zijn vroege werk zie je dat hij meer is geïnteresseerd in gedichten met open eindjes, of in gedichten die eerder als proces dan als resultaat worden gepercipieerd. Een van de duidelijkste voorbeelden van dit procédé staat in zijn laatste bundel, We zagen ons in een kleine groep mensen veranderen. Het gedicht heet `Kritiek':

Vandaag zag ik in de Lange Wierszstraat

Job Rengeling lopen. Dat kan niet

want Job is al vier jaar dood.

Het raarste was: hij belde mobiel.

Kun je je dat voorstellen? Job met een

mobieltje?

Toen Wally dit las zei ze:

`Wel goed, wel ontroerend,

maar tijdgebonden en te persoonlijk.'

`O. Nou, ik kan er wel ,,jaren'' van maken.

En ,,Geldersekade''. En ,,Piet Meeuse''.'

`Is die dan dood?' `Nee, daarom juist,

dat maakt het algemener.'

`Hm,' zei ze, iets aan haar kousnaad

verschikkend,

`maar het is de aanpak. Het blíjft

Riekus Waskowsky.'

`Nou, en? Dan Riekus Waskowsky!' Maar

ik voelde dat ze gelijk had.

Later bedacht ik: `Als ik wat jij zegt erbij zet...'

`Ja,' vond ze, `daarvan wordt het anders.'

De volgende dag zei ze nog:

`Dat zal Piet leuk vinden.' `Wat?'

`Dat je hem doodschrijft.'

O, Wally! Ik beweer toch juist dat hij lééft?

Dit gedicht onttrekt zich aan zichzelf omdat het geen gedicht wil zijn maar het verslag van de wording van een gedicht. In zijn gedicht over gedichten die duurzamer zijn dan brons, zegt Horatius dat hij als dichter niet helemaal zal sterven. De duurzame onveranderlijkheid van zijn poëzie is een garantie voor zijn eigen onsterfelijkheid. In zijn gedicht dat geen duurzaam, definitief gedicht wil zijn, heeft Oosterhoff het ook over leven, dood en onsterfelijkheid. Piet Meeuse leeft, al is het niet dankzij dit gedicht. Of, misschien is het bij nader inzien toch precies door toedoen van dit gedicht dat Piet Meeuse leeft, want al leeft hij, we hadden het niet geweten als er niet eerst bedacht was om hem in dit gedicht dood te schrijven. Het gedicht dat geen monument wil zijn, parodieert de onsterfelijkheidsgedachte van gedichten die als monument van duurzaamheid de sterfelijkheid willen ontstijgen. De paradox is natuurlijk dat het gedicht ondanks alles is geworden wat het niet wilde zijn: een bewegingloos gedicht, definitief zwart op wit, citeerbaar, bloemleesbaar, onveranderlijk de eeuwigheid tegemoetzwijgend.

In andere gedichten probeert Oosterhoff de onveranderlijkheid van gedrukte poëzie te ontlopen door hardhandig in handschrift door zijn eigen gedichten heen te kliederen. Het ziet eruit als correcties, of als commentaar van een anonieme lezer, of als de opzet van een nieuw gedicht op een kladblaadje waarop toevallig al een oud gedicht stond. Dit verschaft de gedichten een vorm van tweestemmigheid die traditionele poëzie ontbeert. En tweestemmigheid onttrekt zich per definitie aan de monumentale, monolithische pretenties van traditionele poëzie. Het ziet er ook lekker onaf uit, zeker omdat Oosterhoff een lekker onverzorgd handschrift heeft. Maar toch blijft het inkt op papier.

Als ik op dit moment zou moeten inschatten welke gevolgen de digitale revolutie zal hebben voor onze poëzie, dan zou ik zeggen dat zij precies dit soort voorlopigheid en veranderlijkheid stimuleert ten faveure van de traditionele voorkeur voor een volmaakt, voltooid gedicht waarin elk woord definitief voor de eeuwigheid op zijn plaats staat. Het verbaast dan ook niet dat Oosterhoff de nieuwe media heeft omarmd. In 2001 initieerde hij een website met `bewegende gedichten' (www.tonnusoosterhoff.nl). Zijn bundel Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen ging vergezeld van een cd-rom met de resultaten van dit project en de zojuist verschenen verzamelbundel bevat wederom een cd-rom waarop de selectie bewegende gedichten nog is uitgebreid. In het nieuwe medium bereikt Oosterhoff wat op papier blijft steken in de beperkingen van drukinkt. De bewegende gedichten zijn definitief anders dan alles wat een eeuwenlange poëzietraditie heeft voortgebracht, omdat woorden, versregels en complete gedichten voor de ogen van de lezer veranderen terwijl hij ze leest.

Het procédé is simpel. Zwarte letters staan op een wit scherm, zoals inkt op papier. Vervolgens beginnen woorden te vervagen en te verdwijnen, terwijl andere woorden uit het niets verschijnen. Hiermee verandert de betekenis van het geheel bij voortduring. Dat is de hele truc. Maar het resultaat is verbluffend.

Om te beginnen is het gevolg dat je op een heel andere manier gaat lezen. Je leest niet langer vanaf het eerste woord rechtsaf en naar beneden totdat je bij het laatste woord bent gekomen, want voordat je daar bent, is er al weer iets veranderd in het begin. Het gedicht is niet langer een lineaire tekst, maar eerder zoiets als een schilderij of een videoscherm, waarbij je ogen in willekeurige richtingen heen en weer bewegen. Tegelijkertijd krijgt de factor tijd op een heel andere manier vat op je leeservaring. Wat er stond, staat er niet meer en wat er nu staat, stond er eerder niet. Het is bijna beangstigend. Ik moest er in het begin echt aan wennen. Paniek maakte zich van mij meester vanwege het feit dat mooie woorden kwijt raakten voordat ik goed en wel had doorgrond wat zij zeiden.

Het is alsof de poëzie onder je ogen afbrokkelt. Maar zodra je doorhebt dat de hele loop na een paar minuten opnieuw begint en de rust kunt vinden om te accepteren dat voorbeeldig gecomponeerde tekst verdwijnt, begint het te werken. Het is lastig om deze ervaring in de kolommen van een krant te illustreren, maar ik zal het proberen. Er is een gedicht en dat gaat zo:

haar stinkende best doet astronaut

teefje Laika

zich uit haar roodleren tuigje te wringen

van worstelen denkt zij niet aan haar naam

het Spoetnikproject is nog niet ingericht op

landing naar de zachte blonde stem:

,,Laika..!''

van verzorger-korporaal Sjmert

er was altijd iets dat maakte

dat het hondje niet aan haar naam dacht

maar als verzorger-korporaal Sjmert

in haar neus blies dan schudde zij haar kop

Het is een fraai, kant-en-klaar gedicht, dat helemaal in één keer op het scherm verschijnt. Maar nog voordat je de hele eerste strofe hebt uitgelezen, zie je in je ooghoeken dat `Sjmert' tot twee keer toe langzaam verandert in `Sjmerz'. En voordat je aan het einde van het hele gedicht bent gekomen, is `astronaut teefje' veranderd in het rare, verontrustende woord `paidochronaut', waaraan je oog blijft kleven. Wat is een paidochronaut? Een kind dat over de zeeën van de tijd vaart? Je hebt niet eens door dat de tweede strofe zo goed als volledig is verdwenen.

Er staat alleen nog maar `landing naar de zachte blonde stem: ,,Laika..!''.' Ook het slot van het gedicht is inmiddels veranderd. Nu staat er: `er is altijd iets dat maakt/ dat het kindje aan haar naam denkt/ maar als pappa// in haar neus blaast dan kent zij'. Dan is het hele gedicht opeens verdwenen. Op de plek van de derde regel verschijnt `ik haar naam' en daarna, tergend langzaam, `zij haar naam'. Deze woorden verdwijnen weer en in alle rust verschijnt er op dezefde plek `ik haar naam zij haar naam'. Tenslotte komt helemaal onderaan iets terug van het eerdere gedicht, namelijk `in haar neus'.

Vervolgens begint het weer van voren af aan. Intussen heb ik een ontroerend, verontrustend gedicht gelezen over een astronauthondje en haar verzorger, over pijn, over vader en dochter, over het herkennen van elkaars namen en geuren, over hoe alles verdwijnt, behalve de naam en de geur in een neus en ik weet niet zeker of het één gedicht is, of meer dan één gedicht.

Dit is spannend en dit is goed. En het is echt iets nieuws. Wat valt er verder nog over te zeggen? Twee dingen. Hoe wankel je ook als lezer op je stoel zit bij het lezen van poëzie die voor je ogen wordt gewist, aangevuld en herschreven, je blijft nog altijd het willoze slachtoffer van de grillen van de dichter. Deze bewegende gedichten zijn op geen enkele manier interactief. De dichter houdt de regie stevig in handen. Ten tweede is het goed om te beseffen dat deze bewegende poëzie niet goed is omdat zij beweegt, of omdat zij de mogelijkheden van een nieuw medium exploiteert, maar omdat het een heel erg goede dichter is die de regie voert.

Verandering van het medium is op zichzelf nog geen garantie voor kwaliteit. Het nieuwe medium schept mogelijkheden die er nog niet waren en het vergt grote kunstenaars om die mogelijkheden te benutten. De paradox is dat Oosterhoff er zo goed in slaagt het monumentale karakter van de traditionele poëzie te ondermijnen, omdat hij een meester is in het schrijven van traditionele, definitieve, monumentale poëzie. De gedichten in de bundel Hersenmutor getuigen daarvan, ouderwets met drukinkt op kwaliteitspapier, verkrijgbaar bij de betere boekhandel.

Tonnus Oosterhoff: Hersenmutor. Gedichten 1990-2005. De Bezige Bij 2005. 186 blz. + cd-rom €24,90

Bekijk drie `bewegende' gedichten van Tonnus Oosterhoff op nrc.nl/kunst