Een nieuw soort kopiëren

Dit is in de eerste helft van de vorige eeuw gebeurd, maar het is niet verjaard, het wordt steeds actueler. Professor Colenbrander had een boek over Willem de Zwijger geschreven. De kritiek begon te lezen. Sommige passages kwamen bekend voor, maar er werden geen bronnen vermeld. Men ging op zoek. De historicus had het een en ander van de concurrentie, i.c. professor Pieter Geyl overgeschreven. Nationale rel. Ook Menno ter Braak mengde zich erin. Ach, schreef hij ongeveer, hangt niet veel wetenschappelijk werk van diplomatiek gappen aan elkaar? Hij noemde zijn eigen proefschrift. En, besloot hij, laten we wel wezen. `Balthazar Gerards heeft de prins veel meer kwaad gedaan.'

Daarmee was de verontwaardiging gerelativeerd, wat niet iedereen welkom was. Verontwaardiging moet puur worden genoten (net als wraak, zoals Joseph Goebbels heeft gezegd. Of heeft hij een Siciliaanse zegswijze geplagieerd? De uitdrukking wordt ook gebruikt in Mario Puzo's The Godfather). Iedere poging tot verdunning leidt de aandacht af, in dit geval van de historicus die plagiaat had gepleegd, die door auteursrecht beschermd geestelijk eigendom had gestolen. Die moest de volle laag krijgen en zo is het ook gebeurd. En ja, het is natuurlijk heel erg. Maar behalve diefstal is plagiaat ook een compliment aan het adres van de bestolene, de erkenning van de dief dat hij in de overgeschreven tekst zijn meerdere had herkend. Het is dus ook een tijdelijke, vrijwillige hersentranspantatie. Maar daar gaat het nu niet over. Waarom is Ter Braak hier actueel?

Docenten in het hoger onderwijs klagen dat ze steeds meer scripties niet kunnen vertrouwen. De student kiest zijn onderwerp, gaat aan zijn computer zitten, zet zijn zoekmachine aan, winkelt uitvoerig in de literatuur op zijn scherm, selecteert, kopieert, arrangeert en plakt en zo scharrelt hij zijn wetenschappelijk werk bij elkaar. Voetnoten, verwijzend naar vindplaatsen, ontbreken. Als de professor hem aan het verstand probeert te brengen dat deze scriptie geen wetenschap maar de opslagplaats van een dief is, kijkt hij verbaasd. Maar het staat toch op internet? En het is nog een heel werk geweest om dat allemaal uit te zoeken.

In de Middeleeuwen bestond het plagiaat nog niet. Het begrip geestelijk eigendom is langzaam gegroeid, met de vorderingen van de drukkunst. De herkomst van drukwerk is traceerbaar. Met drukwerk kan geld worden verdiend, roem geoogst en het is niet meer dan billijk dat beide terechtkomen bij degene die er door zijn talent recht op heeft. Er zijn instellingen die er ter bescherming van de auteur op letten dat er zo weinig mogelijk gratis en stiekem wordt gekopieerd. Ontdekken ze een geval van wederrechtelijk overschrijven, dan sturen ze de rekening. Zelfs nu, terwijl de drukwerkproductie niet meer te overzien valt, werkt dat nog heel redelijk.

Maar ook op dit gebied begint door internet de situatie te veranderen. Er is weinig wat je niet met behulp van een zoekmachine kunt vinden. Nu is een onderafdeling van Google, genaamd Google Print, bezig met het scannen van vijf wetenschappelijke bibliotheken in Amerika. Daarover is een conflict ontstaan. Een schrijversvereniging, Author's Guild, noemt de onderneming een `grootscheepse overtreding van het auteursrecht'. Intussen zijn andere zoekmachines bezig met het scannen van nog meer bibliotheken. Wie er meer over wil weten, raad ik aan het artikel van Edward Rothstein in The New York Times van 14 november op te googlen. `If Books Are on Google, Who Gains and Who Loses?' heet het.

Het project van Google bevat allerlei verzekeringen dat alleen boeken waarvan het auteursrecht verlopen is, op deze manier toegankelijk zullen worden. Je wilt de ondernemers op hun erewoord geloven. `Maar als er iets duidelijk wordt uit het debat, dan wel dit', schrijft Rothstein. `Wat Google nu aan het doen is, zou twintig jaar geleden nog als pure sciencefiction zijn beschouwd. In feite wordt de onderneming nu beschuldigd van piraterij. Maar het gaat om een nieuw soort kopieën. Alleen boeken zonder copyright zullen volledig online beschikbaar zijn.

Dat wil je graag geloven. Maar stel je nu eens een sciencefiction verhaal van vandaag voor. Het gaat over 2025. In dat jaar krijgt een schrijver een geniaal idee. Hij schrijft een boek dat in alle opzichten alles overtreft wat in deze eeuw geschreven is. Dat doet hij op zijn computer, die zoals alle computers dan in permanente draadloze verbinding met de hele wereld van internet staat. Hij heeft alle beveiligingen tegen alle denkbare inbraken, maar niet de dan nog ondenkbaar geachte die door de nieuwe stoottroepen van de hackers is verzonnen. Zonder dat hij het weet, wordt iedere letter, ieder leesteken onmiddellijk afgetapt. Na een jaar schrijft hij het woord EINDE.

De volgende dag staat het volledige meesterwerk onder tien verschillende namen op tien websites en weer een paar dagen later is de papieren editie te koop in de dan overgebleven boekwinkels, weer geschreven door andere auteurs. In deze sciencefiction is het persoonlijk talent mondiaal en volledig onteigend en gecollectiviseerd. Wat in de Sovjet-Unie en China nooit gelukt is, hebben de zoekmachines en de hackers van internet voor elkaar gekregen.

Per slot van rekening, zal de Rothstein van 2025 schrijven, gaat het alleen om een nieuw soort kopieën.

Zal het zo gaan? Of is deze auteur zo geniaal dat hij geen computer gebruikt maar zijn boek met een oude vulpen op gewoon papier schrijft en dan de tekst laat stencilen of misschien zelfs hectograferen. De eerste druk is vijftig exemplaren. Die geeft hij aan zijn vrienden. Het brengt niets op, hij wordt niet beroemd, maar het auteursrecht is gered.