De sterke man achter de clown

Als de naam Beyen iemand nog iets zegt, dan is het vooral omdat Luns en Beyen in het derde kabinet Drees (1952-1956) `met z'n beijen' minister van buitenlandse zaken waren, al mocht alleen Luns zich in het buitenland met die titel tooien. Van de twee werd Luns verreweg de bekendste, door zijn langdurig ministerschap en door zijn clowneske kwaliteiten. Een lunch met hem herinner ik mij als een cabaretvoorstelling, ook in die zin dat van het publiek – in dit geval de gastheren – werd verwacht dat het zich beperkte tot luisteren en tot applaus. Inhoudelijk was zijn belangrijkste wapenfeit het lang uitgesponnen en steeds riskanter wordende achterhoedegevecht over Nieuw Guinea.Beyen daarentegen drukte blijvend zijn stempel op de Europese integratie. Zijn betekenis is lange tijd onderschat. Daarom is het goed dat Wim Weenink een biografie schreef, waarin hij onderzoekt waarom Beyen zich als minister zo heeft ingezet voor de Europese eenwording, en welke rol zijn eerdere ervaringen daarbij hebben gespeeld.

Johan Willem (Wim) Beyen werd in 1897 geboren in Utrecht en groeide op in een familie met culturele belangstelling. Zijn vader had in Utrecht gestudeerd en was zijn loopbaan begonnen aan de Generale Thesaurie van het Ministerie van Financiën, alvorens carrière te maken bij de spoorwegen. Ook Wim studeerde in Utrecht (rechten) en ook hij begon aan de Generale Thesaurie. Daar leerde hij Trip kennen, de Thesaurier-Generaal, die ook na zijn vertrek naar de Javasche Bank en vervolgens naar De Nederlandsche Bank een belangrijke rol zou spelen in zijn loopbaan. Minister van Financiën werd al spoedig Colijn.

In de daarop volgende jaren, en in het bijzonder in de jaren dertig, onderhield Beyen, toen een jonge directeur van de Rotterdamsche Bank, nauwe banden met Trip, inmiddels president van de Nederlandsche Bank, en met Colijn. Drie internationaal georiënteerde mensen in een wat in zichzelf gekeerd Nederland. In 1933 vergezelde Beyen hen naar Londen als gedelegeerde bij de Economische en Monetaire Wereldconferentie, waaraan Colijn een aantal weken actief deelnam.

Deze was inmiddels opnieuw minister-president en vloog eens per week over naar Nederland om te regeren. Zijn streven om door internationale samenwerking de chaotische ontwikkelingen op internationaal monetair gebied om te buigen mislukte, maar maakte diepe indruk op Beyen, die later deze conferentie aanmerkte als een belangrijke episode in zijn leven. Toen effectieve internationale samenwerking niet mogelijk bleek, sloot een aantal Europese landen, waaronder Nederland, zich aaneen en verklaarde de gouden standaard te zullen handhaven in de hoop dat dit een platform zou bieden voor terugkeer naar internationale stabiliteit. Ondanks grote interne controverses heeft Nederland dit beleid pas in 1936 opgegeven, als een van de laatste landen van het goudblok. Beyen steunde dat beleid, iets waarvoor hij zich later geneerde en dat hij in zijn memoires negeerde. Weenink signaleert dat, maar verklaart het niet. Toch is het wel te begrijpen. Het beleid was immers mislukt en na de Tweede Wereldoorlog werd er weinig heel gelaten van dat beleid, en van Colijn zelf.

Colijn en Trip zagen met ontzetting de desintegratie van het internationale financiële en economische bestel aan: de handelsbelemmeringen, de devaluatiewedloop, wat later zou worden aangemerkt als beggar-thy-neighbour beleid. Zij wilden niet dat Nederland daartoe zou bijdragen. Nederland was in hun ogen te groot om ongestraft eenzijdig maatregelen te kunnen nemen en te klein om zich tegen de door hen verwachte reactie van anderen te kunnen verweren (wat bijvoorbeeld de Britten wel konden). Alleen in internationale samenwerking zagen zij een oplossing. Ook Beyen zag dat zo.

In de jaren dertig bleek het daarvoor te vroeg. Pas in Colijns sterfjaar 1944 werd in Bretton Woods de grondslag gelegd voor het Internationale Monetaire Fonds, dat onder meer beoogde herhaling van de jaren dertig onmogelijk te maken. Het was Beyen die daar in opdracht van de Londense regering de Nederlandse delegatie aanvoerde. Later werd hij de eerste Nederlandse directeur van de Wereldbank, naderhand ook van het IMF.

In 1952 werd hij minister van buitenlandse zaken, zonder een partij achter zich, maar met een niet minder effectieve achterban: Soestdijk. De wisselende verhouding met de vorstin in de volgende jaren krijgt ruim aandacht van Weenink, die ook nog met prins Bernhard gesproken heeft. Toen door Frans toedoen de plannen voor een Europese Defensie Gemeenschap en een politieke unie sneuvelden, leidden initiatieven van Beyen tot de oplossing: de Europese Economische Gemeenschap. Een gemeenschappelijke markt en supranationale elementen zouden de basis moeten leggen waaruit politieke integratie zou kunnen voortvloeien. Daarvoor moest hij het afhoudende Europabeleid van zijn voorganger Stikker ombuigen en het zittende kabinet met Drees aan het hoofd omturnen. De meeste ministers stonden tegenover Europa veel terughoudender dan destijds publiek en parlement.

Van 1958 tot 1963 was Beyen ambassadeur in Parijs, nadat de regering de daartoe nodige handtekening had weten los te krijgen van de koningin. Zij had hem niet vergeven dat hij in de Greet Hofmanszaak de kant had gekozen van de prins. Het was een interessante periode door de komst van De Gaulle en de vijfde republiek, maar Beyen bleef het ministerschap beschouwen als hoogtepunt in zijn loopbaan. Hierna keerde hij terug naar het bedrijfsleven en bankwezen, nu als commissaris, en naar het internationale monetaire stelsel, nu als lid van een adviescommissie van de minister van financiën. In die laatste hoedanigheid heb ik hem nog meegemaakt. Hij overleed in 1976 in Den Haag.

De persoon Beyen die uit het boek naar voren komt was uiterst intelligent, kunstzinnig, muzikaal, met internationale allure en tal van contacten in binnen- en buitenland. In allerlei opzicht on-Nederlands. Een sterk ontwikkeld gevoel voor humor, bekend en gevreesd om zijn scherpe tong. Met een reputatie van luiheid (bij zeer intelligente mensen minder bezwaarlijk dan ijver bij dommen) die hem er van weerhield dossiers te bestuderen en tassen mee te slepen (een van de laatste niet buideldragende ministers noemde hij zichzelf), maar niet om te ijveren voor zaken die hij echt van belang achtte.

Weeninks boek is geschreven op basis van grondig onderzoek van archieven en gesprekken met ruim veertig personen, soms nog net op tijd. Journalistiek in de zin dat het vlot leest, maar zeker niet dat het oppervlakkig zou zijn. Soms lijkt het of de auteur te zeer door zijn onderwerp was gegrepen om te kunnen schrappen. Een boek van bijna vijfhonderd bladzijden tekst (zonder de noten) kan afschrikken. Dat zou jammer zijn. Want het beschrijft boeiend het leven en de betekenis van een historisch belangrijke man en zijn fascinerende loopbaan.

W.H. Weenink: Bankier van de wereld. Bouwer van Europa. Johan Willem Beyen 1897-1976. Prometheus, 574 blz. €39,95

A. Szász was directeur van de Nederlandsche Bank in de periode 1973-1994.