De spiegel is weg

Het zelfportret is – binnen de schilderkunst – het lastigste kind van de klas. In Drachten zijn ruim vijftig zelfportretten tentoontgesteld.

De kop van de schilder rust op een rode trekharmonica. Zijn handen bespelen het instrument. De blauw-paars gestreepte achtergrond lijkt een circusgordijn. Dit schilderij is een van de ruim vijftig zelfportretten die in de kruisgang van het Karmelklooster in Drachten hangen. Portret na portret biedt zich aan. De tentoonstelling heet Wie ben ik als niemand kijkt. Zelfportretten van 25 figuratieve kunstenaars.

De titel is natuurlijk een paradox, een illusie. Het merendeel der werken is in opdracht vervaardigd en de datering is al te vaak `2005'. Een schilder die een zelfportret maakt, waant zich slechts in schijn onbespied. Bekeken. Hij weet dat na voltooiing van het portret het gordijn, dat de eenzaamheid van het atelier verhult, voorgoed wordt weggetrokken. Iedereen krijgt de kans hem of haar te aanschouwen, bespioneren, beoordelen.

Het genoemde portret met harmonica, kortweg Zelfportret 2005, is van de hand van Henk Krist. De kop van de afgebeelde man is van de kijkers afgewend. Met grote blauwe ogen kijkt hij ver weg langs ons heen. Dit vormt een uitzondering. De meeste schilders kijken de beschouwer juist strak en recht in het gezicht. Zelfportretten, ja, maar eerder een parade van ogen. Het zijn de brandende, gloeiende, melancholieke, bittere, starre, dode ogen als in een doodskop en zelfs gesloten ogen die een zelfportret maken. In geen ander schilderkunstig genre dan het zelfportet eist het ogenpaar zoveel aandacht op. Schilder Jan Mankes, vertegenwoordigd op de tentoonstelling met een tedere houtsnede uit 1913, schreef in een brief: ,,Een portret kan groot zijn, grooter dan de oneindige lucht.'' (20 juni 1911). Mankes blikt ons met open, donkere en weerloze ogen rechtstreeks aan, sterker: het is alsof hij wil dat wij onszelf in dat peilloze zwart van zijn ogen weerkaatst zien.

Een zelfportret is een fascinerend spel van spiegelingen. De arbeid in het atelier kunnen we ons als volgt voorstellen: de kunstenaar plaatst een spiegel naast of dicht bij de ezel. Hij wekt de suggestie dat hij, schilderend aan het doek, in de spiegel kijkt maar feitelijk ons aankijkt. Op veel zelfportretten in het Karmelklooster zien we dan ook de kunstenaar gewapend met palet en penseel (Dinie Boogaart, Boele Bregman, Marcel Duran). Tijdens het schilderen staat de spiegel tussen de schilder en de toekomstige toeschouwer. Is de spiegel eenmaal verwijderd en dus het werken aan het doek afgesloten, dan boort de schilder zijn blik in de beschouwer. De kijker is spiegel geworden. En wij kijken naar het zelfportret als onze eigen beeltenis. Gerrit Komrij schreef in zijn boek Kijken is bekeken worden. Uit de kelders van Het Stedelijk (1996) op aanstekelijke wijze over de raadsels van het zelfportret: ,,IJdelheid bij de schilder volop, maar ook volstrekte uitlevering. Egoïsme, arrogantie, maar ook de hoogst denkbare dialoog.(...) De schilder poseert. Hij is zich bewust van het spel en de speelsheid waartoe het zelfportret verleidt.'' De tentoonstelling voegt aan dit spel een nieuw element toe: treffend gekozen gedichten van onder meer Ida Gerhardt, Paul Celan, Gerrit Kouwenaar en M. Vasalis begeleiden de schilderijen. Beeld en poëzie gaan samen, zoals in de regel van Theo van Baaren: ,,Elke spiegel waarvoor hij stond/ sloeg blindelings dicht''.

Het zelfportret, uitgevonden in de Renaissance toen de individuele mens alle aandacht opeiste, is niet voor de huiskamer gemaakt, eerder voor het museum. Het is het interessantste en ook lastigste kind van de klas. Lastig, want: hoe meent de schilder dat wij, kijkers, hem moeten zien? Met dichte ogen en vertrokken mond zoals het prachtige portret van Douwe Elias? Of als de onopgesmukte, verouderde man met een roodgekleurd Van Gogh-oor zoals Matthijs Röling? Het is vooral ook een bijzonder genre, want het zelfportret drukt de poëtica van de schilder uit. Het is vaak zijn beginselverklaring, zoals Sjoerd de Vries of Henk Helmantel laat zien. De laatste ziet zichzelf als een zeventiende-eeuwer. Hij past duidelijk citaatkunst toe in de verwijzing naar een zelfportret van Rembrandt. En Sjoerd de Vries wist zichzelf zowat uit in twee portretten uit respectievelijk 1987 en 2005. Op het eerste gaat zijn gezicht schuil achter een doorschijnende rechthoek die de noodzakelijke spiegel verbeeldt. In 2005 echter gaat hij zover door zijn gezicht te schilderen als achter een wit spinnenweb, nauwelijks zichtbaar. Haast geen herkenbare figuratie meer, eerder een abstract zelfportret in tere tinten wit en zilvergrijs met nadrukkelijk aangebracht craquelé.

In de catalogus laat De Vries weten: ,,Ik heb het gevoel dat ik het allemaal maak voor mijn, al lang, overleden ouders''. Dit is meteen de raakste en mooiste intentieverklaring van het zelfportret.

Wie ben ik als niemand kijkt. Karmelklooster, Drachten. Catalogus €20. T/m 29/1. Inl.: 0512-512103; www.karmelklooster.nl