`De kleine Nicolaas' lezen is pure pret

Graag een warm welkom voor De kleine Nicolaas. Dertig jaar lang is Frankrijks beroemdste schooljongen niet in het Nederlands verschenen, maar dankzij een nieuwe vertaling kan een volgende generatie kennismaken met het verrukkelijke zevenjarige geesteskind van René Goscinny (scenarioschrijver van Astérix en Lucky Luke, 1926-1977).

De kleine Nicolaas heeft een bont stel klasgenoten om zich heen verzameld die in de nieuwe vertaling helaas allemaal gelatiniseerde namen hebben gekregen: Alceste heet nu bijvoorbeeld Alcestus en Clotair Cholotarius. Misschien dat de vertaler wil meesurfen op het succes van Goscinnys Asterix, maar het slaat natuurlijk nergens op. Gelukkig doet het aan hun karakters niets af. Alcestus is de botte veelvraat die alleen maar aan eten denken kan; Chlotarius het domste jongetje van de klas dat om alles huilen moet; Agnanus het slimste en daarom irritantste jongetje dat alleen maar niet in elkaar geslagen wordt omdat hij een bril draagt en Godfried het rijkeluis kind dat van zijn vader grote cadeaus en dure verkleedkleren krijgt. In de heldere, karikaturale cartoons van Jean-Jacques Sempé hebben ze allemaal dezelfde neuzen en kapsels.

Het maakt niet uit wat Nicolaas en zijn vrienden doen of meemaken (een klassefoto maken, een boeket kopen voor moeder, cowboyspelen, de minister ontvangen of een zwerfhondje mee naar huis nemen), het loopt gelukkig altijd uit de hand en meestal op vechten uit. Nicolaas merkt dan steevast op: `We hadden een lol!'.

Het is de droogkomische, slapstick-achtige manier van vertellen die deze verhalen zo hilarisch maakt. `Ik dacht dat het een leuke verrassing zou zijn voor papa en mama', zegt Nicolaas als hij een zwerfhondje mee naar huis neemt. De lezer weet wel beter, al kan hij nog niet vermoeden dat het Nicolaas uiteindelijk veel moeite zal kosten om het hondje `over te halen het kussen van de leunstoel los te laten'. `En het was nog wel de leunstoel waar papa niet in mag zitten, behalve als we bezoek hebben!' Mooi zijn ook de taalvondsten die Goscinny in de mond van Nicolaas legt, bijvoorbeeld `zoals alle jaren sinds vorig jaar', of zijn beschrijving van het meisje Louisette: `Ze had geel haar, met vlechten, blauwe ogen, een neus en een rode jurk.'

De kleine Nicolaas lezen, is pure pret – voor jongens die zichzelf erin herkennen, voor meisjes die iets van jongens willen snappen, maar misschien nog wel het meest voor vaders die ooit jongens waren. Hopelijk worden ook de andere Petit Nicolas-verhalen in het Nederlands vertaald, inclusief de tachtig onbekende verhalen die Goscinny's dochter vier jaar geleden bij een verhuizing in een kartonnen doos vond.

René Goscinny: De kleine Nicolaas. Illustraties Jean-Jacques Sempé. Vertaald uit het Frans door Marijke Koekoek. Atlas, 156 blz. 7+, €15,–