Belastingplan bruuskeert filantropische sector

De filantropische sector heeft er op aangedrongen dat het belastingtarief voor schenken en nalaten aan goede doelen teruggebracht zou worden van 8 naar 0 procent. In het belastingplan 2006 is het ministerie van Financiën aan dit verzoek tegemoetgekomen. Hulde. Maar tegelijkertijd wordt door staatssecretaris Wijn een drietal zaken meegenomen.

1. Afschaffing van het zogeheten `goede doelen testament', waarin goede doelen begunstigd worden die een deel daarvan dan belastingvrij mogen doorgeven aan familieleden van de schenker.

2. De verplichting dat familiefondsen hun schenkingen alleen aan 100 procent algemeen nut doelen mogen doen, willen zij voor belastingfaciliteiten in aanmerking komen.

3. Belasting van de inleg van de kansspelen (waarvan de goede doelen loterijen bijna 400 miljoen euro bijdragen aan het algemeen nut). Dit wijzigingsvoorstel gaat in anderhalve week tweemaal voor overleg naar de vaste Kamercommissie alvorens te worden doorgestuurd naar de Eerste Kamer.

De filantropische sector is sinds 1990 enorm gegroeid – burgers, vermogende particulieren, fondsen en bedrijven die allemaal willen bijdragen aan de Nederlandse verzorgingsstaat. Niet alleen via belastingen, maar ook vrijwillig. Dat is één van de kansen voor het behoud en verbetering van onder meer onderwijs en onderzoek, van de zorg en van de cultuur in Nederland. Dit type particulier initiatief is terug van weg geweest en neemt een eigen portemonnee mee. Zo wordt het Stedelijk Museum in Amsterdam hersteld, wordt het merendeel van alle kankeronderzoek in Nederland uit particuliere middelen betaald en heeft het Innovatieplatform een Taskforce `Geven voor weten; particuliere middelen voor de wetenschap' ingesteld. Het kabinet, de politiek schijnt te roepen: kom met uw visie, uw inzet, uw expertise, met een deel van uw vermogen. Wij maken van Nederland een civil society met behoud van de verzorgingsstaat.

Daarom baren de drie `meeliftende voorstellen' in het belastingsplan 2006 de filantropische sector zorgen. Ten eerste omdat de gevolgen van de maatregelen voor de geldwervende fondsen en voor de vermogensfondsen niet doordacht zijn. Het ministerie heeft, ten tweede, nauwelijks zicht op deze sector. Dat bleek het afgelopen jaar toen een aantal ambtenaren in verband met de terrorismewetgeving op deze particuliere organisaties werd afgestuurd en van toeten noch blazen wist. Ernstiger is het feit dat de overheid (de beleidsinhoudelijke departementen) niet eerst een beleidsvisie heeft ontwikkeld hoe meer privaat geld van vermogende particulieren, fondsen en bedrijven in de verzorgingsstaat te incorporeren.

Stimuleer bijvoorbeeld familiefondsen zoals dat in Duitsland gebeurt: laat een percentage (ergens tussen 10 en 30 procent) voor het particulier belang maar het overgrote deel voor het publieke belang. Even ernstig is de daadkracht die plots ten toon wordt gespreid. De wijze waarop deze drie onaangekondigde voorstellen worden ingevoerd bruuskeert de sector. Als de Nederlandse overheid, als de politiek, uit is op een versterking van de verzorgingsstaat mede door een beroep te doen op de filantropische sector, dan is dit niet de juiste weg.

Prof.dr. Th.N.M. Schuyt is hoogleraar filantropische Studies (onderzoek naar het geefgedrag in Nederland) aan de Vrije Universiteit Amsterdam.