Alles staat op instorten

Tien jonge landschapsschilders laten in Almere hun visie op het moderne leven zien.

Hun schilderijen zijn echter allesbehalve modern.

Heeft de schilderkunst nog relevantie voor het hedendaagse leven? Kunnen schilders ons nog iets wezenlijks tonen over de werkelijkheid van nu? Lange tijd was dit vanzelfsprekend zo, schilders liepen in de ontwikkelingen van de kunst voorop. Bijna alle belangrijke twintigste-eeuwse kunststromingen, tot en met de conceptuele kunst, vonden hun oorsprong in de schilderkunst. Maar in de afgelopen decennia is de schilderkunst van haar koninklijke plek verdrongen door andere disciplines. De schilderkunst is zelfs in een kwade reuk komen te staan, als te log en traditioneel, te commercieel.

Museum De Paviljoens in Almere maakte een tentoonstelling van hedendaagse schilderkunst die geïnspireerd is op het beroemde kunstkritische essay uit 1863 van Charles Baudelaire (1827-'67), Le peintre de la vie moderne. In deze reeks artikelen ontwikkelt Baudelaire een samenhangende visie op het nieuwe begrip `moderniteit' en op wat hij beschouwde als de taak van de moderne kunstenaar.

In de hoek van de eerste zaal hangen schilderijen van Ulf Puder (1958, Leipzig). Ze verbeelden, in transparante lichte kleuren – roze, turquoois, geel, groen –, huisjes op palen, badend in een egaal licht. Het zijn strandhuisjes, of containerwoningen drijvend op een rivier. Veel beschutting bieden ze niet, ramen en deuren ontbreken. Ze nodigen uit tot een nomadisch bestaan, bevrijd van de sleur van het dagelijks leven. Met gelijkmatige kwaststreken in lichtbruin gaf Puder de structuur van hout en triplex weer. De werken dragen titels als Bergstation of Heute kein Betrieb. De huizen zijn verlaten. In één van de hutjes zit een roeier in een kano op een plas water.

Het is gek om te zien hoe de virtuele staketsels van Puder zich voortzetten in de architectuur van het museum, dat bestaat uit vijf locomotief-achtige paviljoens. Richt de blik van Puders schilderijen op de omgeving en door het raam naar buiten, waar andere paviljoens staan: er is nauwelijks verschil tussen de echte en de geschilderde wereld.

Op de expositie zijn de schilderijen in rijen boven elkaar opgehangen, grote en kleine formaten door elkaar heen. Ze bedekken iedere plek van de zes meter hoge wanden. De tentoonstellingspraktijk van de negentiende-eeuwse Salon, de regelmatig terugkerende presentatie van eigentijdse schilderkunst in Parijs, diende als voorbeeld. Het vereist veel concentratie om de schilderijen goed te bekijken. Maar het is niets vergeleken bij de Salon, waar duizenden werken waren te zien. In Almere zijn het er ongeveer honderd, van tien jonge schilders, afkomstig uit Duitsland (6), Zwitserland (1), Amerika (1) en Nederland (2). Ook al is de bovenste rij schilderijen moeilijk te zien, het is een wijze van presenteren die uitnodigt tot kijken en vergelijken.

Vluchtige schoonheid

Moderniteit was voor Baudelaire het tegenovergestelde van de kunstopvatting die uitgedragen werd door de machtige Franse kunstacademie. De schilder diende volgens hem de schoonheid van het hedendaagse leven tot uitdrukking te brengen en niet, zoals de traditie wilde, het tijdloos schone. Het was niet langer de rol van de kunstenaar om de weg te wijzen naar het Schone en Ware (in de klassieke kunst synoniem). Hij moest zich onderdompelen in de bedwelmende stroom van het leven in de grote stad, om daar een meer vluchtige schoonheid te vinden.

Constantin Guys (1802-1892) staat bij Baudelaire model voor dit nieuwe type kunstenaar. Guys was strikt genomen geen kunstenaar en hij verzette zich fel tegen de door Baudelaire gepropageerde beeldvorming rond zijn persoon. Zo verbood hij Baudelaire om zijn naam te noemen, zodat hij in de tekst figureert als `de heer G.'. Guys was van 1843 tot 1855 beeldreporter en oorlogsverslaggever van de Illustrated London News. Hij verzond de ter plaatse gemaakte tekeningen, vergezeld van commentaar, naar de krant, die ze vertaalde in houtgravures. In 1848 versloeg Guys de Februarirevolutie in Parijs en in de jaren vijftig de Krimoorlog. Zijn carrière liep abrupt ten einde toen de Illustrated London News in 1855 de eerste filmploeg naar de Krim stuurde. In Parijs, waar Guys vanaf 1856 woonde, circuleerden nog decennialang schetsen en gewassen tekeningen van zijn hand, niet alleen van oorlogsscènes maar ook van Parijse taferelen, zoals rijk uitgedoste vrouwen in het Bois de Boulogne, dandies bij de paardenrennen, hoeren in een bar. De tekeningen waren in alle prentenwinkels voor weinig geld verkrijgbaar.

`Vluchtige schoonheid' bestaat volgens Baudelaire uit twee aspecten, het hedendaagse én het eeuwige. In het moment ligt de eeuwige tragiek van de vergankelijkheid besloten. Beide aspecten zag hij belichaamd in de tekeningen van Guys. Als geen ander had Guys, de `volmaakte flaneur' die zich pas in de mensenmenigte in zijn element voelde, oog voor het meest vluchtige van alle verschijnselen: de mode. Met overgave tekende hij strikken, jasjes, hoeden en kapsels. In de mode zijn `de moraal en de esthetica van de eigen tijd' terug te vinden, aldus Baudelaire.

Een groter contrast dan tussen het Parijs van Baudelaire en Almere op zondagmiddag is niet denkbaar. De Paviljoens liggen te midden van bedrijfspanden, braakliggende terreinen en gedesignde stukjes groen. Aan de overkant van een smal water strekt zich de lege hoofdstraat van de stad uit. Het schele herfstlicht versterkt nog de desolaatheid van deze artificiële wereld.

De wereld die de tentoonstelling laat zien lijkt sprekend op dit Almere. Hoge flats, industriële gebouwen, verlaten steden, kunstmatige landschappen, huizen in suburbs, hier wordt de teloorgang van het modernistische utopia in beeld gebracht. Het is alsof alles op instorten staat. Of wellicht heeft de apocalyps al plaatsgevonden, want nergens zijn mensen, er heerst een dreunende stilte. De ooit majestueuze natuur is virtueel en ongevaarlijk geworden in de puntige berglandschapjes die de Zwitser Peter Stoffel schilderde naar satellietopnamen van berggebieden. De scherpe detaillering werkt vervreemdend, het oog ziet meer dan eigenlijk mogelijk is. Overigens geldt voor het merendeel van de schilderijen dat ze geschilderd zijn naar al dan niet digitaal gemanipuleerde foto's.

Nostalgie

Het is gemakkelijk voorstelbaar dat wie in Almere woont of werkt, zoals de makers van de tentoonstelling, tot een dergelijke visie op het moderne leven komt. Maar ís dit modern? Is dit hoe het hedendaagse leven er uitziet, dit isolement, deze stilte? Dertig jaar geleden bestonden deze vervreemdende landschappen en suburbs al overal in de westerse wereld. Ook toen al waren ze het onderwerp van kunstenaars, zij het op een heel andere manier, zoals bij de Amerikanen Dan Graham, John Baldessari en Ed Ruscha. Door deze nostalgisch aandoende geschilderde landschappen als modern te betitelen in de zin van Baudelaire, als hedendaags dus, wordt gesuggereerd dat de wereld sindsdien niet meer veranderd is.

Of is dit de moderniteit zoals die bij uitstek tot uitdrukking komt in de schilderkunst? Is er een oorzakelijk verband tussen deze ouderwetse moderniteit en de manier waarop die is geschilderd?

Tjebbe Beekman schildert reeksen wolkenkrabbers en geometrische stadslandschappen. Soms rijzen ze frontaal voor ons op, soms kantelen ze in vogelvluchtperspectief, maar altijd zijn het regelmatige structuren en patronen. Deze patronen zijn overwoekerd door dikke verf, op zo'n manier dat er een visuele tegenstelling ontstaat tussen het beeld (statische architectuur) en de materialisering ervan, in pasteuze, beweeglijke, organische verfstreken. De schilderijen van Beekman zijn niet slecht, maar ze zijn gedaan volgens een oud en overbekend recept.

Het geldt voor vrijwel de hele tentoonstelling, van de lege interieurs van Arjan van Helmond tot de exotische vissen van Sophia Schama: deze schilderijen zijn helemaal niet modern, er is zelfs niets moderns aan, en vermoedelijk hebben de schilders ook niet de pretentie dat ze zich in een of andere voorhoede bevinden. Vrijwel allemaal verliezen ze zich in het zogenaamd authentieke van de schriftuur, het unieke van een handschrift. Zonder de ironie van een Polke, Richter of Kippenberger. Maar authentiek is schriftuur allang niet meer, het is een puur academisch gegeven geworden.

Het lijkt dan ook onmogelijk dat op deze manier uitdrukking gegeven kan worden aan het moderne leven. De schilderkunst, sinds Baudelaire (die zelf het Impressionisme verfoeide) tot ver in de twintigste eeuw, wás zo hedendaags omdat nieuwe onderwerpen, betrekking hebbend op het hedendaagse leven, steeds uitdrukking vonden in een nieuwe manier van schilderen, een nieuw soort materialisering in de verf.

Op alle regels in de kunst zijn uitzonderingen. De uitzondering in Almere is het werk van de 32-jarige Duitse schilder Sven Kroner. Kroner maakt grote rivierlandschappen in overwegend groene en gele tonen. Hij is zeer virtuoos, schildert op een volkomen vrije manier, transparant en pasteus naast elkaar. Een monumentale stenen brug krijgt vorm in dunne, snelle penseelstreken. De landschappen zijn gedompeld in een stervend licht. Een bulldozer of graafmachine is achtergelaten aan de oever. Mensen (Kroner schildert ze wél) verpozen zich bij het water, stoken een vuurtje onder een betonnen viaduct. Ze negeren het vervuilde, groene algenwater. Op een betonnen paal schittert een reflectie in fosforiserend roze en oranje van de ondergaande zon. Het viaduct heeft een sterk zuigende perspectivische werking, de blik wordt naar een verdwijnpunt, een zwart gat, getrokken. Het is alles doortrokken van angst en een naderend einde, een tragiek van de vergankelijkheid die Baudelaire waarschijnlijk goed zou bevallen. Kroner weet zijn schilderijen boven de beperkingen van de ouderwetse schilderkunst uit te tillen, en ja, het levensgevoel dat er uit spreekt is hedendaags. Niet op een shockerende, niet op een revolutionaire of grootse manier, maar wel overtuigend.

De schilderkunst is zwaar belast met de geschiedenis van de kunst. Dat maakt het moeilijk om een schilder van het moderne leven te zijn. De tentoonstelling in Almere legt deze dilemma's feilloos bloot.

De schilder van het moderne leven. Tentoonstelling in Museum De Paviljoens, Odeonstraat 3-5, Almere. Tot 19 maart 2006. Wo, za en zo 12-17 uur, do en vrij 12-21 uur. Informatie: www.depaviljoens.nl.