Waar ben jij nu?

De intrede van de mobiele telefoon in de literatuur biedt ongekende mogelijkheden.

Toen een vriend onlangs op het punt stond een roman te voltooien, waaraan hij stukje bij beetje tussen de bedrijven door had gewerkt, verzuchtte hij tegen me: Nu ben ik verdomme hun mobieltjes vergeten! In zijn boek raken personages op reis zoek zonder dat familieleden en vrienden taal of teken van hen ontvangen. Ook wordt nergens vermeld dat de achterblijvers zelf pogingen in het werk stellen de vermisten mobiel te bereiken, terwijl het toch allemaal ondernemende, hedendaagse mensen zijn, die vast niet zonder mobiel vertrokken zijn. Mijn vriend heeft als excuus dat de gebeurtenissen in de roman zich in werkelijkheid meer dan tien jaar geleden afgespeeld hebben, in een vrijwel mobielloos tijdperk, maar dat is alleen een excuus voor hemzelf, want zijn boek speelt in een ongedateerd heden dat je als lezer klakkeloos voor 2005 verslijt. En dan rijst al snel de vraag: wat er is met de telefoon van die mensen gebeurd?

Ik ga me niet in allerlei bochten wringen om te verklaren dat die dingen verloren of gestolen zijn! roept hij strijdlustig. Ze hebben ze gewoon niet. Punt uit.

Ik kan met hem meevoelen, want in mijn eigen boeken balanceer ik, wat eigentijdse communicatiemiddelen betreft, ook vaak op de rand van het aannemelijke. In een roman die twaalf jaar geleden verscheen, staat iemand met autopech midden in de nacht op een verlaten landweg. Als er een bromfietser langskomt, vraagt hij of deze in een cel in een nabijgelegen dorp de ANWB voor hem wil bellen; hij zal een paar kwartjes meegeven, de brave ziel. Intussen staat hij zich aan zijn eigen afhankelijkheid te ergeren. Ik heb het nog eens nagelezen. `Waarom had hij ook geen autotelefoon?' staat er. Een autotelefoon! Zei je dat in

die tijd? Hoe dan ook, ik vond destijds kennelijk alleen de gedachte aan zo'n apparaat al modern genoeg.

En het wordt steeds erger. In de laatste tekst die ik bij de uitgeverij inleverde, veronderstelt een kunsthandelaar dat een erudiete maar wat wereldvreemde klant van hem wel geen internet zal hebben. Toen ik het manuscript terugkreeg, bleek de redacteur bij deze passage in de kantlijn te hebben gezet: dat lijkt me sterk!

Zou het negeren van de mobiele telefoon een jonge schrijver ook overkomen kunnen zijn? Vast niet. Die zijn er zo mee vergroeid dat die manier van leven waarschijnlijk automatisch met de handeling verweven raakt. Zij hebben er misschien wel moeite mee hem weg te laten in scènes die zich tien jaar geleden afspelen. Voor mijn generatie ligt dat anders. Ik proef soms in het werk van leeftijdgenoten dat de mobiele telefoon bij hen ook niet zo ongedwongen de plaats krijgt die hij in werkelijkheid al heeft.

Wat betekent het voor de literatuur dat een eigentijds personage altijd en overal bereikbaar is en zelf ook op elk moment contact kan opnemen met wie hij wil? Dat er in een roman of verhaal geen – voor de lezer geloofwaardige – momenten van alleenzijn meer bestaan, tenzij men door omstandigheden, kwaadheid of verlangen naar eenzaamheid niet meer over zijn mobiel beschikt of het kreng eindelijk uitgezet heeft! Kunnen de huidige Osewoudts nog wel naar hun Dorbeck hunkeren zonder dat de lezer denkt: waarom belt-ie niet even? Kan de 21ste eeuwse Frits van Egters nog vertier zoeken bij vrienden die niet thuis blijken te zijn? Als hij zelf al niet gebeld heeft dat hij onderweg is, hebben zij hem wel gebeld. Waar ben jij nu? Wij lopen in Het Wespennest. Kom maar hierheen.

Herenmode, begane grond.

Het ongeduldig uitzien naar een brief (een brief?!), de spanning van het `wat zal ze zeggen als ik het morgen vertel?', de verwikkelingen door het elkaar mislopen en de pure eenzaamheid middenin een bos, op zee of in een mensenmassa zullen steeds buitenissiger worden; ouderwets en ongeloofwaardig. Een dialoog zal vaker de ondersteuning van het visueel waarneembare moeten ontberen. Als er staat: Nee suikerbossie, ik taal niet naar een ander klonk ze afwezig, is dat heel wat anders dan als er staat:

Nee, suikerbossie, ik taal niet naar een ander! en ze bekeek tevreden haar achterhoofd in de spiegel.

Natuurlijk biedt het altijd kunnen en willen praten met anderen ook voordelen. De hele plot kan sneller en ingewikkelder verlopen, zonder getob van A die zijn geliefde niet kan vinden, onwetend van het feit dat zij op dat moment met de antagonist in bed ligt, terwijl B net iets prikkelends over C op haar voicemail heeft ingesproken. Als A naar B belt en B naar de antagonist en deze een kwartier later weer naar C, kan dat flitsend proza opleveren. Er gloort voor de letteren een toekomst vol ingenieuze intriges, listig bedrog (ik zit in de trein naar Zwolle, hoorde ik laatst een vrouw in de trein naar Rotterdam zeggen), psychologisch inzicht op grond van het gehoor en adembenemend intieme conversaties. Een fantastisch vooruitzicht.