Krijgshistorici: militair maar onafhankelijk

Ook de historische dienst van Defensie ontkomt niet aan de bezuinigingen, blijkt bij de behandeling van de begroting vandaag. Wat doen deze historici?

Het einde van de Koude Oorlog is het ambacht van de militaire historici zeer ten goede gekomen, zegt P.H. Kamphuis, directeur van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie. (NIMH) ,,Wat was er nog te beschrijven? Iedere boom op de Noord-Duitse laagvlakte was wel zo'n beetje bekend.'' Maar omdat het Nederlandse leger nu onder steeds andere omstandigheden op missie in het buitenland gaat, keerde ook de belangstelling voor krijgsgeschiedenis terug. ,,Nu het militaire beroep uitdagender is geworden, is er weer meer belangstelling voor lessons learned'', meent Kamphuis.

Slechts drie miljoen euro kost het NIMH – niet veel op de totale Defensiebegroting van zo'n 7,7 miljard euro. De Tweede Kamer buigt zich vandaag over die begroting en heeft vooral aandacht voor de hardware (kruisraketten en helikopters). Over de drie miljoen euro van het NIMH zul je de Kamerleden dezer dagen niet horen.

Maar voor deze drie miljoen heeft het ministerie wel als enige van de ministeries een eigen historische dienst. ,,Een wetenschappelijke instelling in een ambtelijke omgeving'', zoals Kamphuis het NIMH graag noemt. Die instelling ontsnapt overigens niet aan de drastische bezuinigings- en reorganisatierondes op Defensie. Tien procent minder personeel dan vorig jaar krijgt het NIMH.

Het NIMH bestaat pas sinds 1 juli van dit jaar. De historische secties van Landmacht, Luchtmacht, Marine en Marechaussee zijn er in opgegaan, waarbij het aantal personeelsleden daalde van 43 tot 38.

De historici van Defensie houden zich geenszins bezig met `drum and trumpet', benadrukt Kamphuis. De dienst is niet gericht op de zelfverheerlijking. ,,De oprichting van de eerste historische afdeling in de Krijgsmacht hing samen met de oprichting van de Generale Staf in 1891, die op zijn beurt weer uitdrukking was van de professionalisering van het beroep van officier, naar Pruisisch model.'' Ook toen al ging het dus om de `lessons learned', naast de ontwikkeling van een `gezond nationalisme' dat het moreel der militairen ten goede moest komen.

De werkzaamheden van het NIMH zijn deels op Defensie zelf gericht: de vervaardiging van jaarboeken en herdenkingsartikelen, onderwijsactiviteiten voor officieren, archiefonderzoek om vast te stellen wat veteranen die een uitkering vragen of met psychische problemen kampen precies hebben meegemaakt. Een van de lessen van `Srebrenica', vertelt Kamphuis, is dat het van belang is per onderdeel bij te houden wat is gebeurd – de oude traditie van `gevechtsverslagen'. Dat gebeurt nu dus weer, in elk bataljon is een officier voor die verslagen verantwoordelijk. Ook is het NIMH een publieksdienst:iedereen die dat wil kan onderzoek doen in de vijf kilometer archief en de twee miljoen foto's die in de Haagse Alexanderkazerne liggen opgeslagen. Twee medewerkers van het instituut, Petra Groen en Herman Amersfoort, zijn hoogleraar in deeltijd in respectievelijk Leiden en Amsterdam.

Een deel van de ongeveer tien boeken die het instituut per jaar uitgeeft, zijn academische studies. In 1990 verscheen van Amersfoort en Kamphuis Mei 1940, de strijd op Nederlands grondgebied. Daarin stond dat ook Nederlandse militairen zich schuldig hadden gemaakt aan schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Dat leidde bij veteranen tot grote verontwaardiging en in 2000 tot een proces wegens smaad.

Bij die gelegenheid werd de academische vrijheid van de NIMH in brieven aan de Tweede Kamer nader vastgelegd. Toen dit jaar Amersfoort dezelfde materie uitvoeriger behandelde in Ik had mijn Roode-kruisband afgedaan, ontstond daarover geen enkel rumoer.