Griezelig

In HP/De Tijd van vorige week trof ik een opmerkelijke bijdrage aan van de wekelijkse commentator Dirk-Jan van Baar. Het ging over de twee in djellaba gehulde moslims, die door hun verdachte gedrag paniek veroorzaakten in een trein. Van Baar vond het vreemd dat niemand deze lieden al ,,bij het instappen aan hun baard heeft getrokken''.

,,Een loos alarm is minder erg dan een bom'', schreef Van Baar, ,,maar bijna even ontregelend. Wat mij betreft is dat reden genoeg om `islamitisch uitziende personen' preventief te fouilleren, om het reizend publiek zodanig gerust te stellen dat het niet uit eigen beweging naar de noodrem hoeft te grijpen.''

En: ,,Natuurlijk weet ik ook wel dat de echte terrorist zich in een driedelig pak kan hullen, maar van baardmannen met een djellaba gaat een intimidatie uit die niet in het openbaar vervoer thuishoort. Zulke griezels worden pas minder griezelig als het publiek erop kan vertrouwen dat ze eerst door een detectiepoortje zijn gegaan. Niet alle monniken dragen gelijke kappen.''

Ik heb in de lezersrubriek van de jongste HP/De Tijd vergeefs gezocht naar bezwaren tegen dit commentaar. Daarom acht ik voldoende draagvlak aanwezig, in ieder geval onder de lezers van dat weekblad, om de ideeën van Van Baar wat nader uit te werken. Want waarom zouden we die `griezels' voortaan alleen bij het betreden van de trein aan hun baard trekken en preventief fouilleren?

Moeten we hen voortaan ook niet aan zodanige scherpe controle onderwerpen als zij op het punt staan trams, bussen en metro te betreden? Ik stel me voor dat wij in stationshallen en op perrons achter een bordje `Griezels hier melden' een ruimte reserveren, waar zij uitgebreid gevisiteerd kunnen worden. Dit liefst zo openlijk mogelijk, zodat de autochtone reizigers kunnen zien dat het niet langer noodzakelijk is ook zelf aan baarden te gaan trekken.

Maar daarmee zijn we er natuurlijk nog niet.

Waarom zouden we ons alleen in het openbaar vervoer bedreigd moeten voelen? Immers, ook in wachtkamers, restaurants, bioscopen en stadions lopen wij het risico plotseling met een `islamitisch uitziend persoon' te worden geconfronteerd. Sterker nog, inwoners van de grote steden overkomt dit al bijna dagelijks.

Beseffen wij wel welke gevaren dit met zich mee brengt? Of om het Van Baar na te zeggen: ,,Maar we moeten niet doen alsof alle moslims in principe oké zijn, want zo is het niet.''

Zij wij niet erg naïef als wij de consequenties van deze woorden niet onder ogen willen zien?

Daarom zullen wij ons op nóg zwaardere maatregelen moeten beraden dan Van Baar nu al noodzakelijk acht. Wij zullen er op den duur niet onderuit kunnen om `islamitisch uitziende personen' al als verdacht aan te merken op het moment dat zij hun huis verlaten. Zij zullen deze maatregelen ongetwijfeld als vernederend en discriminerend ervaren, zij zullen wellicht wijzen op omstreden precedenten in de geschiedenis, maar wij hebben geen andere keuze.

,,Niet alle monniken dragen gelijke kappen.''