EU-grenswaarden voor fijnstof krakkemikkig

Prof. Priemus betoogt dat de huidige normen voor fijnstof krakkemikkig zijn (NRC Handelsblad, 18 oktober). Hij beroept zich daarbij op deskundigen op het gebied van de volksgezondheid. Die vertelden hem dat in de normstelling de goedaardige en kwaadaardige deeltjes over één kam worden geschoren, met als gevolg onnodig strenge regels. Die deskundigen wezen ook op de echte boosdoeners: de deeltjes kleiner dan 2.5 micron, waarmee de huidige regulering van de deeltjes met afmetingen tot 10 micron haar relevantie (grotendeels) verliest. Priemus schrijft ook dat bijna niemand van de Nederlandse praktijkmensen en onderzoekers destijds (1998) in de gaten had dat de normen in Brussel werden vastgesteld.

Dat moge zo zijn, maar uit eigen ervaring kan ik de lezer verzekeren dat de Europese industrie-organisaties met expertise op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu, vertegenwoordigd door UNICE (Union of Industrial and Employer's Confederations of Europe) in de werkgroepen die zich bezighielden met de gezondheidkundige basis van de grenswaarden voor de luchtverontreinigende stoffen, er alles aan gedaan hebben om een wetenschappelijke onderbouwing te bevorderen en te wijzen op de noodzaak van kosten-batenanalyses. De organisatie van de Europese olie-industrie die zich bezighoudt met veiligheid, gezondheid en milieu (CONCAWE) heeft voor elke te ontwikkelen grenswaarde een wetenschappelijk rapport geproduceerd en via UNICE ingebracht in de discussies in de werkgroepen.

Ten aanzien van fijnstof werd destijds door de industrie (tevergeefs) betoogd dat de epidemiologische studies die voorhanden waren en die correlaties vaststelden tussen een toename aan bepaalde ziekenhuisopnames en/of vóórtijdige sterfte van zeer ernstig zieken enerzijds en concentraties van fijnstof anderzijds, reden waren om hypotheses op te stellen over het oorzakelijke verband en om die hypotheses met daartoe geschikte studies te toetsen. De toen beschikbare onderzoekresultaten werden door de industrie niet geschikt geacht om als basis te dienen voor een wettelijke normstelling van fijnstof.

We zijn nu jaren verder, maar blijkens een recente evaluatie van het in 1996 opgestelde `criteria document' voor de federale norm in de VS voor fijnstof (PM 2.5) én van de daarna verschenen studies, komt Moolgavkar (Reg. Tox. Pharm. 42 (2005) 123-144) tot de conclusie dat een grenswaarde voor fijnstof niet te verdedigen valt op basis van een causale relatie tussen concentraties aan fijnstof en schadelijke effecten op de gezondheid.

Al met al zijn de Europese grenswaarden voor fijnstof dus nog krakkemikkiger dan Priemus aangeeft en kunnen ze nog minder de draconische effecten op het bouw-en ontwikkelingsproces in Nederland legitimeren.