Duitsland kan Nederland de weg wijzen

Het regeerakkoord van de nieuwe Duitse coalitie bevat waardevolle elementen voor een regeerakkoord tussen CDA en PvdA na de verkiezingen van 2007, betoogt Lans Bovenberg.

Leren van je buren – voor CDA en PvdA zou het lesmateriaal na de verkiezingen van 2007 het regeerakkoord kunnen zijn dat CDU en SPD in Duitsland hebben gesloten. Een aantal elementen verdient navolging.

De ruim van te voren aangekondigde geleidelijke verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd.

Toen de AOW in 1956 werd ingevoerd bedroeg de levensverwachting voor mannen en vrouwen respectievelijk 69 en 71 jaar. In 2020 zullen die cijfers zo'n tien jaar hoger liggen en dus schuift de leeftijd waarop sprake is van `ouderdom' ook op. Jongeren zijn heel wel bereid solidair te zijn met ouderen die niet meer kunnen werken. Maar als de AOW een basisinkomen wordt voor ouderen die niet meer willen werken wordt de solidariteit tussen generaties ondergraven. Daarvan worden oudere bejaarden de dupe. Een hogere pensioenleeftijd is te verkiezen boven een (te) karige AOW-uitkering voor kwetsbare ouderen (vooral weduwen).

In Duitsland gaat de pensioenleeftijd met ingang van 2011 in stappen van een maand per jaar omhoog naar 67 jaar in 2035. In Nederland ligt het meer in de rede om de AOW-leeftijd en de belastingvoordelen voor aanvullende pensioenen met ingang van 2016 (als de prepensioenregelingen zijn afgebouwd) te koppelen aan de levensverwachting. Ons pensioenstelsel is net zo kwetsbaar voor een stijgende levensverwachting als het Duitse omslagstelsel. Voor elk langer levensjaar kan de pensioenleeftijd bijvoorbeeld een half jaar stijgen. Een extra levensjaar betekent dan een half jaar extra vrije tijd en een half jaar extra werk. De kosten van een langer leven worden gedragen door degenen die van dat langere leven genieten terwijl de huidige ouderen worden beschermd. Door van te voren klare wijn te schenken over hoe demografische risico's worden verdeeld, worden politieke conflicten voorkomen als de betaalbaarheid van pensioenen door een stijgende levensverwachting onder druk komt te staan.

De nieuwe `koppeling' laat zich goed combineren met een flexibele AOW-leeftijd waarbij de AOW-uitkering wordt berekend op basis van de nog resterende levensverwachting bij pensionering.

De Nederlandse sociaal-democraten kunnen op dit punt een voorbeeld nemen aan Zweden. Dat land koppelt de publieke pensioenuitkeringen al aan de levensverwachting. De Scandinavische landen benadrukken terecht het belang van goed onderhoud van menselijk kapitaal. De vergrijzing is niet alleen een financieel vraagstuk maar resulteert ook in knelpunten op de arbeidsmarkt, met name in sectoren die niet-verhandelbare diensten aanbieden zoals de gezondheidszorg. We moeten zorgen voor voldoende handen aan het bed om de grotere groep hulpbehoevende ouderen te kunnen verzorgen. Dat is vooral van belang voor kwetsbare ouderen met weinig koopkracht. Een uitstekende gezondheidszorg en dienstverlening aan ouderen is te verkiezen boven een lage pensioenleeftijd en een gespannen arbeidsmarkt waarin ouderen worden verwaarloosd.

De Duitse coalitie introduceert meer belastingvoordelen voor jonge ouders.

Middelen worden verschoven naar het zogeheten spitsuur van het leven. Zo worden de mogelijkheden van een langer leven benut om carrière en ouderschap beter te kunnen combineren. Omdat we nu de pensioenleeftijd niet aanpassen aan de langere levensverwachting concentreren we onze arbeidsinspanning steeds meer in de periode van het leven dat we jonge kinderen opvoeden. De lasten van een langere scholingsperiode, een langer pensioen, en hogere zorgkosten drukken allemaal op het spitsuur. Terwijl een langer leven de druk op de gezinsfase zou moeten verlichten, wordt die druk alleen maar groter.

In de Nederlandse context kan de omslag van een kostwinnersysteem naar een ouderschapsstelsel plaatsvinden door hogere heffingskortingen voor ouders met jonge kinderen, betere kinderopvang, alsmede schooltijden die beter aansluiten bij de wensen van werkende ouders. In Duitsland wordt een beroep gedaan op de draagkracht van ouderen door de BTW te verhogen om daarmee de lasten voor jonge ouders te verlagen. In Nederland kunnen ouderen geleidelijk volledig meebetalen aan de AOW. Dit maakt lagere AOW-premies mogelijk voor ouders met jonge kinderen. Deze ouders dragen immers reeds bij aan de houdbaarheid van de AOW door de toekomstige premiebetalers van de AOW op te voeden. Door de grotere AOW-bijdrage van ouderen geleidelijk in te voeren worden huidige ouderen die zich niet op deze maatregel hebben kunnen voorbereiden beschermd, maar wordt wel een grotere bijdrage gevraagd van rijkere babyboomers die nu vlak voor het pensioen staan. Ook kan een te lage `grijsschijf' (het bejaardentarief in de belastingen) voorwaardelijk gemaakt worden op arbeid. Wie eerder ophoudt met werken, gaat na de AOW-leeftijd het gewone tarief betalen.

De CDU en de SPD schrappen het Duitse equivalent van de hypotheekrenteaftrek.

In Nederland kan de fiscale aftrekbaarheid worden beperkt tot leningen die na de eerste 5 jaar lineair in maximaal 25 jaar worden afgelost. Dit is in feite een aanscherping van de maatregel tegen aflossingsvrije hypotheken uit 2001, waarbij huizenbezitters hun recht op renteaftrek beperkt zagen tot dertig jaar. Het voordeel van een dergelijke regeling is dat de fiscale voordelen worden gericht op jongeren en jonge ouders, die moeilijk toegang hebben tot de woningmarkt en die de woningmarkt voor het eerst betreden. Mensen profiteren in het spitsuur van het leven maximaal van de fiscale renteaftrek en minder in de redelijk welvarende actieve seniorenfase van de levensloop wanneer de kinderen het huis uit zijn en men veelal redelijk welvarend is. In deze laatste fase worden mensen gestimuleerd hun hypotheek af te lossen zodat ze hun eigen huis als oudedagsvoorziening kunnen benutten.

Meer in het algemeen zal de overheid mensen meer moeten laten betalen voor allerlei voorzieningen, zoals hoger onderwijs, huisvesting, gezondheidszorg, infrastructuur en vervoer. Dit om de steeds schaarsere collectieve middelen beter te richten op degenen die ze echt nodig hebben. Bovendien is goedkoop hier duurkoop.

Meer privaat geld voorkomt files op de weg, wachtlijsten in de zorg, een versjofeling van het hoger onderwijs, en wachtlijsten voor een huurwoning. Zo is ook een uitruil mogelijk met minder, maar helderder, publieke regelgeving. Burgers, instellingen en bedrijven kunnen meer zaken zelf regelen – Den Haag moet leren loslaten.

Lans Bovenberg is hoogleraar economie bij het CentER van de Universiteit van Tilburg.