`We zijn pas vrij als we een eigen staat Atjeh hebben'

Rebellen van de Beweging voor een Vrij Atjeh (GAM) moeten deze week weer wapens inleveren in het kader van hun verdrag met de regering. Maar velen vertrouwen hen niet.

Verveeld hangt een groepje ex-rebellen in een schuurtje rond buiten het afgelegen dorpje Janggot Seungko in de Indonesische provincie Atjeh. Een maand geleden keerden ze terug uit de bergen. Ze worden boos als we op een geweer wijzen, dat volgens het vredesakkoord tussen de Beweging Vrij Atjeh (GAM) en de regering al had moeten zijn ingeleverd. ,,Rot op'', schreeuwt een van de rebellen.

In het naburige stadje Jeunib stapt commandant Darwis met zijn kinderen uit een gloednieuwe jeep. Zijn twee zoontjes schieten baldadig met hun speelgoedgeweren op de mensen die op de commandant afkomen. Jarenlang stond deze regionale rebellenleider bovenaan de lijst van meestgezochte `separatisten' in Indonesië. ,,We zijn bevrijd. Ons doel is bereikt'', zegt hij trots. Tot grote verbazing van de omstanders maakt hij plotseling bekend dat de rebellenbeweging daarom zichzelf heeft opgeheven.

Volgens het vredesakkoord mogen de ex-rebellen een lokale partij oprichten als ze afzien van de eis voor een onafhankelijke staat Atjeh. In de hoofdstad Jakarta moet het parlement die afspraak binnenkort verankeren in een wet. Veel Indonesische parlementariërs vertrouwen de rebellen niet. Zij vrezen dat de ex-guerrillastrijders alsnog via de politiek voor afscheiding zullen strijden.

Commandant Darwis zegt dat de GAM nooit voor een onafhankelijke staat heeft gevochten. ,,De Atjehers hebben onze strategie niet goed begrepen. We vochten slechts tegen de Indonesische onderdrukking.''

Iets buiten Janggot Seungko zegt boer Nurdin Ibrahim er niets van te geloven dat de GAM zou zijn opgeheven. Hij is blij dat hij weer kan werken op zijn afgelegen rijstveldje. Tijdens de jarenlange oorlog werd hij regelmatig vanuit de jungle beschoten. Volgens mensenrechtenactivisten schoten zowel Indonesische soldaten als rebellen op boeren om elkaar in een kwaad daglicht te stellen. Maar over de rebellen wil Nurdin geen slecht woord horen. Hij haat het Indonesische leger voor wat het de Atjehers heeft aangedaan, zegt hij. Tot op de dag van de ondertekening van het vredesakkoord patrouilleerden soldaten elke dag in zijn dorpje. Soldaten sloegen onschuldige mensen en namen mannen voor ondervraging mee. Nurdin wil dat de rebellen blijven vechten voor onafhankelijkheid. ,,We zijn pas echt bevrijd als we onze eigen staat hebben. Want dan kunnen de Indonesische soldaten niet meer komen.''

Dat zou ook Nuralili wel willen. Nuralili, moeder van een dochtertje van drie jaar, werd verkracht door een soldaat terwijl de strijdende partijen in Helsinki over vrede onderhandelden. Haar broer Nasir werd in dezelfde periode door het leger op weg naar school gearresteerd. Hij werd geslagen net zolang tot hij bloed overgaf. Nuralili durft haar huis niet meer uit omdat de dader in de kazerne om de hoek woont. Vrede betekent voor haar broertje dat hij niet meer naar school gaat.

,,De rebellen zijn opportunisten'', zegt de Atjese parlementariër Nasir Jamil van de partij voor Rechtvaardigheid en Welzijn. ,,De rebellenleiders ondertekenden het vredesakkoord omdat GAM door de oorlog is verzwakt en de populariteit onder het volk drastisch is afgenomen. Via een politieke partij hopen ze alsnog macht te krijgen.'' Hij vertelt hoe de rebellen jarenlang via de moskee de Atjehers indoctrineerden. Ze riepen het volk op om te vechten voor een eigen staat. Wie zich niet aansloot bij de beweging werd ontvoerd, beschoten of zelfs gedood.

In haar huis in het dorpje Jeuli Seutui wijst de weduwe Ponijah op de kogelgaten boven haar deur. ,,De GAM'', zegt ze geëmotioneerd. Twee jaar geleden schreeuwden rebellen voor haar huis dat haar man een spion was voor het Indonesische leger. ,,Vervolgens schoten ze hem dood.'' Buurman Ynus vertelt dat rebellen het volk jarenlang geld afpersten onder het mom van `belasting voor de vrije staat Atjeh'.

In zijn bamboehuisje ontkent ex-rebel Zulkifli dat de GAM zich aan criminele praktijken schuldig maakte. ,,Ik vocht voor een betere toekomst. Ik heb nog nooit een Atjeher beroofd.'' Vijf jaar lang leefde hij in barre omstandigheden in de jungle. Slapen in de open lucht, nauwelijks eten. Toch wil hij weer terug. ,,Tot Atjeh onafhankelijk is. Ik ben geen Indonesiër maar een Atjeher.''

Woordvoerder en tevens regionaal rebellenleider Sofyan Daud schudt zijn hoofd. Hij snapt dat veel ex-rebellen zich in hun dorpjes vervelen. Er is nauwelijks werk voor hen. Maar dat is niet langer het probleem van de GAM. De regering is nu verantwoordelijk. Het wordt volgens hem beter in Atjeh als de GAM aan de macht zou komen. In april zijn er lokale verkiezingen. ,,De GAM zal zoveel banen creëren, dat we zelfs arbeiders van buitenaf nodig hebben'', bluft Daud in zijn luxe huis.

Parlementariër Nasir Jamil vreest voor nieuwe onrust in Atjeh. ,,Ex-rebellen hebben nog geen compensatie ontvangen. Ik hoor verhalen van kleine overvallen en diefstal. Ex-rebellen dreigen verder te strijden voor onafhankelijkheid.'' Maar Jamil maakt zich het meest bezorgd over de rebellenleiders. ,,Wat gebeurt er als ze de verkiezingen niet winnen? Dan pakken ze opnieuw de wapens op.''