Ideologische oogkleppen

Er hangt een ongezonde spanning boven de markt als het gaat om Irak. Wie was vóór, wie tegen, of naar lokale termen vertaald: wie was goed, wie fout? Toen minister Bot een paar weken geleden, een beetje hardop nadenkend, vertelde dat we het met de kennis van nu toen zo niet zouden hebben gedaan, was het huis te klein.

Hier is sprake van een schadelijke kramp – ook in de Verenigde Staten zelf – die fnuikend is voor elk initiatief.

Er waren destijds mensen die vóór een inval waren omdat ze altijd automatisch achter Amerikaans leiderschap aanlopen. Dat kon een kwestie van diep gewortelde verbondenheid met Amerika – onze bevrijders – zijn. Er waren ook mensen die zich verzetten tegen de inval omdat ze de Verenigde Staten altijd automatisch wantrouwen. Gezegend met zo'n houvast pro of contra bleef het leven overzichtelijk.

Zelf was ik voorstander van ingrijpen, al was het een 51-49 procents afweging – maar dit laatste doet er bij een keuze natuurlijk niet toe, want scepsis is voor studeer-, niet voor bestuurskamers. Mijn argumenten waren destijds drieledig:

1. Minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell zette in de Veiligheidsraad uiteen dat er een serieuze kans was dat de Iraakse dictator massavernietigingswapens in handen had. Hier sprak een minister met een indrukwekkende staat van dienst, iemand die in de eerste Golfoorlog buitengewoon verantwoord en met veel compassie voor Iraakse soldaten had gehandeld. Een man ook, die in Vietnam aan den lijve had ondervonden wat oorlog is. Wat kunnen burgers anders doen dan vertrouwen delegeren aan degenen die het werk doen, die toegang hebben tot expertise en die in het verleden hebben aangetoond daarmee om te kunnen gaan?

2. In Nederland was er Max van der Stoel, integer, uiterst nauwkeurig, ervaren kenner van internationale organisaties en de antihype in persona. Hij constateerde dat er verdacht veel, teveel, mis was aan de wijze waarop Iraakse autoriteiten met het inspectieregime omsprongen. Verontrustend achtte hij met name het gedrag van Iraakse kernfysici, die door Saddam Hoessein in een soort kat-en-muis spel met de inspecteurs werden gemanipuleerd.

3. Ten slotte waren daar de schendingen van de mensenrechten. Het is een dubieus element want het internationale recht is daar niet voor niets buitengewoon voorzichtig mee, omdat humanitaire interventies zonder instemming van de Veiligheidsraad de deur zomaar kunnen openzetten voor oorlogen en burgeroorlogen. Anderzijds leven we in een wereld waar nog maar weinig geheim blijft op dit gebied. Saddam Hoessein maakte het op een bestiale manier bont en de vraag is hoe lang een volkerengemeenschap zich in deze tijd nog op de vluchtheuvel van het non-interventiebeginsel kan blijven terugtrekken.

De gretige profileringsdrang van de Duitse bondskanselier en de Franse president tegen een militaire inval hielp de dictator nog een handje, want die kon de indruk krijgen dat hij zijn gang kon blijven gaan en dat het allemaal niet zo'n vaart zou lopen.

Inmiddels is het niet moeilijk meer om vast te stellen dat de Amerikaanse leiders zowel op het gebied van de integriteit als het vakmanschap een rokende puinhoop hebben achtergelaten. Ex-minister Colin Powell voelt zich bedrogen en beschouwt zijn roemruchte optreden in de Veiligheidsraad inmiddels als een dieptepunt.

De Amerikaanse regering heeft in Irak zelf zo ongeveer alles fout gedaan wat maar mogelijk was. (Kenmerkend genoeg ging het in het recente Haagse debat vooral over rechtmatigheid destijds, niet over doelmatigheid daarna en hoe nu verder.) Alleen al het feit dat niet eens een avondklok werd ingesteld in Bagdad – les één uit het handboek van elke bezetter – was verbijsterend.

Amerikanen waren er ten diepste van overtuigd dat iedereen hen als bevrijders zou binnenhalen. Ook dit is een klassieker. En ze namen als vanzelfsprekend aan dat vrijpostige Irakezen zouden nalaten wat vrijpostige armoedzaaiers in Amerika zelf meestal doen in ordeloze situaties: plunderen.

Dan werd het hele Iraakse leger ontbonden en naar huis gestuurd onder het motto: verkeerde lui. Ook dit is een vorm van zelfoverschatting uit het handboek.

Men had een voorbeeld kunnen nemen aan het Spaanse democratiseringsproces meteen na Franco – de Spaanse regering liet praktisch alle rechters en vele militairen gewoon zitten op basis van een weinig ethische, maar wel verantwoorde redenering: de meeste mensen zijn nu eenmaal meelopers en ze lopen dus ook wel met de democratie mee. Het was niet helemaal eerlijk, maar het diende een hoger goed en grosso modo werkte het.

En dan onderkoning Bremer met dat desastreuze triomfalisme in de CNN-woorden: ,, We got him''. Wie was daar `We'?

Zo kan een hele lijst worden aangelegd van blunders die een minder zelfingenomen presidentieel team had kunnen voorkomen met wat kritische, hinderlijke advocaten-van-de-duivel in de buurt. Maar leiders met ideologische oogkleppen hebben met zwakke leiders doorgaans gemeen dat ze in hun omgeving nooit een eigen interne oppositie creëren die hen scherp houdt, zij trekken allebei ja-knikkers aan. Achteraf is nogal duidelijk dat de militaire inval in elk geval nog lang niet het gewenste doel heeft bereikt, hoe rechtmatig die dan ook mocht zijn geweest. Een staatsconstructie is er verder weg dan ooit.

De woordcode bij westerse topontontmoetingen luidt sindsdien dat we niet moeten omzien maar vooruitkijken. Dit klinkt doenerig maar het is helaas niet waar. Zonder terugblik geen vooruitzicht. Amerikaanse leiders en ,,I told you so'' tegenstanders kunnen alleen over hun schaduwen stappen, wanneer een faire balans mag worden opgemaakt. Wie niet in staat is dilemma's te delen, vindt geen loyale bondgenoten.

Kanselier Schröder is weg. Maar premier Blair, de presidenten Chirac en Bush zitten er nog – verzwakt of ideologisch behept als zij zijn, zullen zij tot zoveel introspectie en herijking niet meer in staat moeten worden geacht. Als de VS dan ook nog weinig anders weten te bedenken dan zich langzaam terugtrekken, is straks niemand meer verantwoordelijk voor de chaos van Irak.

Dat is wederom onverantwoord.