Geef commerciële mediabedrijven de ruimte

Het kabinet moet krantenbedrijven meer armslag geven om eigen televisiekanalen op te zetten. Anders komt hun voortbestaan in gevaar, betoogt Theo Bouwman.

Opeenvolgende kabinetten hebben verzuimd om het publieke omroepbestel serieus te hervormen. Er hangt echter verandering in de lucht. Eerst was er eind december het lijvige rapport van de WRR, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, waarin ervoor gepleit wordt eindelijk de moeizame scheiding tussen mediakanalen los te laten en veel meer vanuit inhoud te redeneren. Het kabinet ging er met voor Haagse begrippen ongekende snelheid mee aan de slag.

Maar daadkracht leidt niet automatisch tot een heldere en doordachte visie. In het kabinetsvoorstel worden als vanouds de kool en de geit gespaard. Alleen de NPS wordt opgeofferd. Voor de rest kan iedereen blijven zitten. Op zijn best vindt er een machtsverschuiving plaats van de omroepverenigingen naar de raad van bestuur.

De elementaire visie van de WRR dat het beleid niet gericht moet zijn op het type medium, zoals tv, krant, radio en internet, maar op functies als nieuws, opinie, cultuur en amusement, wordt feitelijk niet ingevuld. Gevolg is dat met dit voorstel elk initiatief uit de markt om tot kwaliteitstelevisie of kwaliteitsradio te komen, bij voorbaat de kop wordt ingedrukt.

PCM Uitgevers onderzoekt al lang of er op commerciële basis een televisiekanaal van de grond te krijgen is. Naast de wettelijke belemmeringen zijn er vier concrete punten die ons daarbij hinderen:

1. Er wordt een kunstmatige tegenstelling instandgehouden tussen publieke taken en `platte commercie'. Het kabinet vindt het onwenselijk om publieke taken bij marktpartijen neer te leggen omdat die slechts bezig zijn met de belangen van adverteerders en aandeelhouders. Alsof er in Nederland geen kranten zijn die al decennialang een maatschappelijke functie vervullen op commerciële basis.

2. Omroepverenigingen krijgen alle ruimte om zich tot commerciële `multimediale ondernemingen' te ontwikkelen, maar het kabinet wijst elke rol van commerciële partijen bij het uitoefenen van publieke functies af. Dat is concurrentievervalsing.

3. Adverteren blijft een belangrijke bron van inkomsten. Met het verbieden van reclame rond kinderprogramma's, wordt de ruimte voor reclame rond andere programma's alleen maar groter. En dus blijft er minder over voor commerciële mediabedrijven, die geen subsidie ontvangen.

4. Er komt in de toekomst ruimte voor andere organisaties om programma's onder de eigen naam aan de publieke omroep aan te bieden. Dat klinkt mooi. Maar er zit een addertje onder het gras: die organisaties mogen geen winstoogmerk hebben.

Als het gaat om kwaliteitstelevisie valt er weinig te kiezen. De overheid dicteert en subsidieert. Het publiek bestel blijft als het aan het kabinet ligt een wonderlijke mengeling van maatschappelijke deelbelangen. Geen wonder dat mensen alleen nog naar de commerciële zenders met hun heldere programmering kijken. Geen wonder dat steeds meer hoger opgeleiden uitwijken naar de BRT, BBC of themakanalen. Geen wonder dat steeds minder mensen – vooral jongeren – televisiekijken.

Toen PCM en Wegener een jaar geleden besloten om het AD en een aantal regionale kranten samen te voegen in een nieuw krantenconcept, schreeuwden politiek en pers moord en brand. De pluriformiteit van de pers was in het geding. Er waren zelfs Kamervragen. Maar als het om televisie gaat zwijgt iedereen. Dat er in Nederland maar twee grote tv-journaals zijn, is blijkbaar wel voldoende pluriform? Is het wenselijk dat de publieke omroep een monopolie heeft en behoudt op publieke taken? Is het niet tijd dat er een divers en pluriform aanbod in kwaliteitszenders komt?

Als de politiek wil dat in Nederland een gezonde mediasector blijft bestaan, een sector die bij uitstek past bij de zo gewenste kenniseconomie, een sector die niet gedomineerd wordt door de overheid en grote internationale mediaconcerns, dan moet het roer echt om. Allereerst moet het voorstel van het kabinet van tafel. En met het WRR rapport in de hand moet het mediabeleid fundamenteel worden herzien.

Ik heb drie wensen:

1. Schrap belemmerende bepalingen voor krantenuitgevers rond marktaandelen en `crossownership' uit de Mediawet.

2. Zet een publiek bestel neer dat zich alleen met zijn kerntaken bezighoudt en niet concurreert met de markt – reclamevrij; geen exclusief recht op publieke geldstromen; beperkte scope: niet krampachtig proberen drie zenders te vullen.

3. Vergelijkbaar met de Raad voor Cultuur zou er een onafhankelijke Mediaraad moeten worden ingericht die niet gebonden is aan het publiek bestel. Deze Raad adviseert de regering over het mediabeleid en, veel belangrijker, kent subsidies toe aan publieke programmering op radio, televisie, internet en - waarom ook niet - kranten en tijdschriften. Alle partijen kunnen daar op inschrijven, of ze winst maken of niet. De publieke omroep zou daarnaast in een overgangssituatie kunnen blijven beschikken over een apart, veel kleiner mediabudget, waarmee vaste programmering als het journaal gegarandeerd wordt.

PCM Uitgevers is een mediaconcern dat zich nadrukkelijk rekenschap geeft van zijn maatschappelijke rol. Als we dat alleen op basis van krantenpapier moeten doen, is het zeer de vraag of PCM en andere uitgevers het redden.

Theo Bouwman is voorzitter van de Raad van Bestuur van PCM Uitgevers. Dit is een bewerking van de tekst die hij gisteren in Nieuwspoort (Den Haag) uitsprak.