`Bot moet Papoea-rapport aannemen'

Minister Bot wil de studie over Nieuw-Guinea niet in ontvangst nemen. Ongepast, vindt Van Aartsen, voorheen minister van Buitenlandse Zaken.

Aan het eind van de dag staat een groep Papoea-nationalisten op het podium van de zaal in de Koninklijke Bibliotheek en zingt het volkslied van het onafhankelijke – of althans autonome – Nieuw-Guinea dat er nooit is gekomen. Jozias van Aartsen, in 1999 minister van Buitenlandse Zaken en thans VVD-leider, hoort het staande aan. Van Aartsen gaf in de opdracht tot het maken van de studie over de Nederlandse betrokkenheid bij Nieuw-Guinea.

Zijn ambtsopvolger Bernard Bot, die streeft naar intensivering en verbetering van de betrekkingen met Indonesië, waartoe westelijk Nieuw-Guinea thans behoort, schitterde gisteren door afwezigheid. Hij wil, liet hij weten, met de studie van Pieter Drooglever, niets te maken hebben. De studie, `Een daad van vrije keuze: De Papoea's van westelijk Nieuw-Guinea en de grenzen van het zelfbeschikkingsrecht', is geen rapport in opdracht van de regering vervaardigd, heeft Bot de Kamer laten weten. De regering heeft slechts een wens van de Kamer `uitbesteed'.

Omdat Bot de gevoeligheden van de Indonesische regering wil sparen, laat hij in zijn reactie weten dat Nederland de territoriale integriteit van Indonesië ,,volledig respecteert''. Inclusief dus het gezag over Nieuw-Guinea, het eilanddeel dat bij de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië was achtergehouden om pas in 1962 onder Indonesische militaire dreiging en Amerikaanse diplomatieke druk alsnog te worden afgestaan.

Door Nederlands toedoen werd in 1962 een raadpleging aan de Papoea's beloofd over de vraag of zij bij Indonesië wilden blijven of toch autonoom worden. Dat deze raadpleging in 1969 in een lachertje was ontaard, doet voor Bot niet terzake. Van Aartsen is dat met hem eens, blijkt uit zijn korte toespraak na het in ontvangst nemen van het eerste exemplaar, aan het eind van een feestelijk symposium: ,,Het gaat hier om een studie om onze, Nederlandse geschiedenis, die volledig moet worden gedocumenteerd, en die niet in de politieke sfeer getrokken zou moeten worden.'' Maar dat, zoals Bot zegt, de studie van Drooglever niet zou zijn vervaardigd in opdracht van de Nederlandse regering, noemt Van Aartsen ,,onzin'': ,,Ik kan mij niet voorstellen dat de minister een dergelijke potsierlijke redenering zou volgen''.

Het Kamerlid dat in 1999 om het rapport zou hebben gevraagd, is Eimert van Middelkoop, thans senator voor de ChristenUnie. Ook hij laakt de afwezigheid van Bot op de presentatie van de studie: ,,Het is verkeerd om je door Indonesië de wet te laten voorschrijven.''

Van Middelkoop gelooft ook niet dat het weinig vleiende beeld dat uit Drooglevers studie naar voren komt van het Nederlandse beleid ten aanzien van Nieuw-Guinea – eerst werden de Papoea's gecharmeerd met Nederlandse beloften over hun zelfstandigheid, maar nadat de kolonie eenmaal was afgestaan verloor Nederland iedere belangstelling – tot praktische stappen zou moeten leiden. ,,Maar dat Bot het boek niet in ontvangst wil nemen, is onder de maat.''