Tobben

,,Den winter bracht ik in Amsterdam door, waar ze druk bezig geweest waren, mooie huizen af te breken en er leelijke voor in de plaats te zetten, al tobbende.'' Dit schrijft Nescio's alter ego Koekebakker over Japi, `den uitvreter', aan het slot van het gelijknamige verhaal. `1909-1910' staat er onder, en dat is heel lang geleden. Sindsdien is de tobbende mens, zonder ook maar één inzinking te kennen, als een bijenwerkster verder gegaan met het afbreken van mooie dingen om er iets lelijks voor te retourneren. Als recent hoogtepunt noem ik het plots afschaffen door de internationale wielerunie van de magische passages door biertenten tijdens veldritten.

In Aktueel lees ik een reactie op het nieuws door de keizer van het veldrijdergilde Sven Nys. ,,Het fietsen door biertenten was irritant. Door het temperatuurverschil zag je weinig. Ook de rookworstenlucht vond ik verschrikkelijk.''

Het is om moedeloos van te worden. Moet je een crack als Nys nou nog vóór zeggen dat het niet verplicht is door een beslagen bril te kijken? Of is het dat in zijn brillencontract de bepaling staat: wat er ook gebeurt, het kreng blijft op! En dan ocharm `de rookworstenlucht'. Sven Nys zou eens een zesdaagse moeten rijden. Daar malen ze niet om een rookworst meer of minder. Daar is het boeket ook iets rijker en dwingender van kleur: in eigen vet sudderende hamburgers omgeven door weke uienringen, combinaties van loempia's, vleesspiezen en zuurkool, patat uit oude olie, saté, koffie, bier, frikadellen, kroketten, zweet, sigaren, etherische massageolie, zwaar geparfumeerde groupies, teveel voor één enkele neus om te bevatten.

`Irritant'. Natuurlijk is een biertent irritant. Maar niet minder irritant dan een vaardige modderpoel die je snelheid tot nul reduceert, en die je noopt de fiets op de schouder te smijten. Een biertent is een natuurlijke hindernis, punt uit. Zowel Sven Nys als de UCI lijkt deze wielerwaarheid te zijn vergeten. Maar bovenal is de biertent een ankerpunt. Het is de vip-box voor jan en alleman. Dichter bij de liefhebber kun je sport niet brengen.

Mijn debuut in de biertent is van onheuglijk lang geleden. Ergens in Belgisch Limburg was het – Zonhoven? Daar stond ik met mijn ingevette benen aan de startlijn langs mijn fiets te springen. Iedereen stond langs zijn fiets te springen. Je moest wat om warm te blijven. Het was van dat typische veldrijdersweer. Een storm joeg nerveuze wolken over de vlakte. Toen viel mijn oog op dat scheurtje in het frame, net achter de balhoofdbuis.

Ik moest snel beslissen. Of van start gaan en mijn nek breken, of heel verstandig de aftocht blazen. Ik was verstandig en waste vloekend het vet van me af in een teiltje koud water. In de boerenschuur werd ik omringd door de sporttassen van de strijders die op hetzelfde moment door de weilanden ragden. Toen ik buiten kwam zeeg de regen neer.

Ik zocht beschutting in de biertent. Een man met een microfoon in de hand gaf verslag van de doortochten. Tussendoor interviewde hij supporters en zong hij liedjes. Ik goot de eerste trappist naar binnen.

Die (lange) middag ontmoette ik tenslotte de peilloze doorzichtigheid in de ziel van de ware liefhebber.