Noodrecht rukt op

Het verschil tussen noodrecht en gewoon recht vervaagt. Bestrijding van terreur is een belangrijke drijfveer, maar mag niet leiden tot verdoezelen van grensconflicten.

Tot hoever moeten de mensenrechten wijken voor noodtoestanden? Dat is de centrale vraag in het lijvige proefschrift `Mensenrechten en staatsveiligheid: onvergelijkbare grootheden?' waarop Jan Peter Loof vorige week promoveerde aan de Universiteit Leiden. Hij is daar coördinator van het F.M van Asbeck Centrum voor mensenrechtenstudies. Een noodtoestand lijkt ver van ons bed. Totdat Frankrijk dit middel inzet tegen de aanhoudende ongeregeldheden in de verpauperde voorsteden.

Ook zonder het afkondigen van een formele uitzonderingstoestand heeft het noodrecht een nieuwe actualiteit. Dat komt vooral door de terreurbestrijding. ,,De spelregels zijn veranderd'', zei de Britse premier Blair na de aanslagen van 7 juli. Dit leidde tot een wet die de politie de tot dusver ondenkbare bevoegdheid moest geven om verdachten in terrorismezaken 90 dagen vast te houden zonder aanklacht. Dit voorstel sneuvelde vorige week dramatisch in het Lagerhuis. Het werd 28 dagen, nog altijd het dubbele van de huidige termijn (die nog niet zo lang geleden vier dagen was).

Onze eigen minister van Justitie Donner betitelde in een vraaggesprek met deze krant van 9 juli 2004 zijn nieuwe, grensverleggende wetgeving tegen terroristische misdrijven als ,,een enclave'' in het strafrecht waarin je anders kunt opereren dan normaal. Dat was niet te veel gezegd. De essentiële juridische grens tussen woorden en daden vervaagt, evenals de grens tussen harde en zachte informatie.

De samenleving bevindt zich ,,tussen oorlog en vrede'', concludeert de Raad voor openbaar bestuur in een onlangs verschenen advies met deze titel: een situatie waarin geen sprake is van een algemene noodtoestand terwijl tegelijk vergaande bevoegdheden noodzakelijk worden geacht. Er is, overigens al langer dan 9/11, een proces aan de gang waarbij noodrecht steeds normaler wordt en het gewone recht ,,vernoodrechtelijkt'', zoals de Rotterdamse hoogleraar staats- en bestuursrecht Roel de Lange het eerder dit jaar uitdrukte in het Nederlands tijdschrift voor mensenrechten NJCM Bulletin.

Zelfs noodtoestand heeft zijn grenzen: martelen is nooit toegestaan. Het folterverbod is zoals dat heet notstandsfest. Hoever gaat dit overigens? In Engeland is een zaak aanhangig bij het House of Lords, de hoogste rechter, tegen een uitspraak die het gebruik van mogelijk van marteling in het buitenland afkomstige informatie in een vreemdelingenprocedure billijkte. De overheid redeneerde dat zij niet altijd kan controleren wat buitenlandse instanties precies uithalen.

In Nederland is een wet in de maak die het AIVD'ers mogelijk maakt als ,,afgeschermde getuige'' verklaringen te leveren in een strafproces. Kunnen zij op die manier niet een conduit vormen voor informatie van dubieuze herkomst? ,,Het is duidelijk dat informatie die door foltering is verkregen niet wordt toegelaten in een Nederlandse strafzaak'', verklaarde Donner. Net als de Britse regering bracht hij echter de `nuance' aan dat niet altijd valt te achterhalen of bij buitenlandse informatie wellicht toch foltering is toegepast.

Niet alleen het martelverbod is notstandsfest. Loof signaleert een internationale trend deze status uit te breiden tot het klassieke beginsel van habeas corpus (rechterlijke toetsing van vrijheidsbeneming) en elementaire onderdelen van het recht op een eerlijk proces. Deze ontwikkeling vindt vooral plaats in de sfeer van het Verenigde Naties, niet direct het sterkste forum. Het Europees Hof voor de mensenrechten, waar Nederland primair mee te maken heeft, laat de staten veel meer ruimte met noodmaatregelen.

In elk geval is noodrecht tijdelijk van aard. Het is illustratief dat de regering-Blair haar omstreden uitbreiding van de inverzekeringsstelling voorzag van een zogeheten sunset clausule: na een jaar komt de wet automatisch te vervallen, tenzij hij door de wetgever wordt verlengd (en eventueel bijgesteld). Minister Donner mikt met zijn antiterrorismewetgeving echter op een ,,fundamentele verandering'' dus een blijvende en houdt zich niet aan zijn eigen uitspraak dat terreurbestrijding een enclave is. Hij weigert bijvoorbeeld de wet afgeschermde te beperken tot de terreurbestrijding maar wil hem ook kunnen toepassen in gewone strafzaken waarvoor zo'n speciale wet niet is bedoeld.

Dit soort tersluikse erosie van de rechtstaat geeft de terreurbestrijding onnodig want vermijdbaar een slechte naam. De Raad voor binnenlands bestuur zoekt de oplossing in een speciale `veiligheidswet' om de grijze zone tussen oorlog en vrede te reguleren. Zo'n wet zet wèl een premie op het verder verdoezelen van de grens tussen noodtoestand en mensenrechten. Met als ironisch gevolg dat ingrepen in de burgerlijke vrijheden verder kunnen gaan en `normaler' worden dan bij een échte noodtoestand.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad.

kuitenbrouwer@nrc.nl