Nederland telt steeds meer wilde planten

Vermesting nekt bijzondere planten in Nederland. Ontsnapte sierplanten en andere warmteminnende soorten houden de soortenrijkdom op peil.

Nog nooit zijn er in Nederland zoveel wilde plantensoorten in de natuur geteld; de stand staat op meer dan 1.500. Oorzaak is de instroom van nieuwkomers, waaronder `ontsnapte' sierplanten. Dat blijkt uit een analyse van de veranderingen in de Nederlandse flora in de twintigste eeuw door bioloog Wil Tamis. Hij zal daarop morgen in Leiden promoveren.

,,De intensivering van de landbouw heeft de plantensamenstelling van Nederland het meest beïnvloed in de afgelopen eeuw'', zegt Tamis in zijn werkkamer aan de Leidse universiteit. ,,De ontginning van de heide en de ontwatering heeft ook een grote rol gespeeld. Ontwatering leidt tot het rijker worden van de bodem, en dat nekt de planten die een voorkeur hebben voor arme grond.''

Deze invloeden hebben (nog) niet geleid tot het massaal verdwijnen van plantensoorten uit Nederland, wel tot het steeds zeldzamer worden van kwetsbare soorten. ,,Veertig procent van de Nederlandse plantensoorten staat op de Rode Lijst van bedreigde soorten, vooral als gevolg van de intensivering van het grondgebruik. Een plant die heel sterk achteruit is gegaan de afgelopen eeuw is bijvoorbeeld de klokjesgentiaan, een soort die leeft in heidegebieden. Dit is het algemene beeld, dat soorten van natte en voedselarme omstandigheden verdwijnen.''

De voorkant van Tamis' proefschrift wordt gesierd door een pentekening van een brandnetel. Is het zo dat Nederland `verbrandnetelt'? Tamis: ,,De brandnetel is een symbool voor de opkomst van soorten die een voedselrijke bodem prefereren. In de periode 1988-2000 was hij de meest algemene soort in Nederland, die werd aangetroffen in 94,3 procent van de kilometerhokken. Maar de brandnetel was altijd al algemeen, moet ik erbij zeggen.''

Nietttemin is de vermesting in heel Nederland een probleem, zegt Tamis. ,,De heide in Nederland ontvangt jaarlijks wel veertig kilo stikstof door de lucht. Op die manier ontvangen de arme gronden hier net zoveel meststoffen als mensen in de Derde Wereld op hun akker brengen.''

Verspreidingsgegevens van planten worden in Nederland voornamelijk verzameld door vrijwilligers, die er met `streeplijsten' op uit trekken. De gegevens zijn opgenomen in twee grote databanken, Florivon (met data van voor 1950) en Florbase (met data van na 1975). Om oude floragegevens, verzameld vóór 1950, te kunnen vergelijken met nieuwere gegevens, moest Tamis eerst aan het rekenen. ,,De oudste gegevens van plantensoorten zijn verzameld in zogeheten kwartierhokken [een kwartierhok is 1,25 bij 1,042 kilometer groot, red.]. Daarbij streepte men per kwartierhok aan welke soorten er stonden. Na 1950 is het raster omgezet naar kilometerhokken. Kwartierhokken zijn net iets groter en geven daardoor een iets ander beeld van de zeldzaamheid van soorten. Ik heb een toewijzingsmodel ontwikkeld, waarmee de oude kwartierhokken kunnen worden omgezet naar kilometerhokken. ''

Ook moest Tamis wat andere dingen stroomlijnen voor een goede vergelijking. ,,In de loop der tijd zijn er tal van veranderingen in de taxonomie geweest. Soorten zijn bijeengevoegd, of juist uit elkaar gerafeld, en weer andere soorten hadden vroeger een heel andere naam dan wij hadden verwacht. Zo bleek de Reuzenberenklauw, een grote plant die nu redelijk algemeen is in Nederland, vroeger ook al voor te komen in ons land. We vinden hem terug onder een andere naam, als Heracleum persicum.''

De laatste jaren is de toestroom van botanische gegevens (voornamelijk aangeleverd door vrijwilligers) steeds groter geworden. ,,Daardoor kon ik de gegevens van latere perioden in kleinere stukjes knippen en op een kleinere tijdschaal naar de botanische veranderingen kijken. Dat kwam goed uit want rond 1985 deed zich in Nederland een opvallende sprong in de gemiddelde jaartemperatuur voor.''

Door de klimaatverandering vestigen zich nu steeds meer warmteminnende soorten op eigen kracht in Nederland. ,,Zoals Zeevenkel, die zich langs de Nederlandse kust naar het noorden uitbreidt. Eerst kwam hij in Zeeland, toen in Noord-Holland en nu heeft hij de Waddeneilanden al bereikt. Andere voorbeelden zijn het Doorschijnende sterrekroos en de Vlokkige toorts.''

De botanische grenzen verschuiven en dat leidt tot een toename van het aantal soorten in Nederland. Maar misschien is het effect tijdelijk, zegt Tamis: ,,Warmteminnende soorten kunnen niet overleven bij al te koude winters. Maar koudeminnende soorten kunnen wel in een warmer klimaat blijven staan. Zo hebben we in Nederland nog altijd een paar IJstijdrelicten, zoals het Klimopklokje en de Noordse zegge. Zij zullen op den duur misschien verdwijnen, maar er zit enige vertraging in.''

Tamis ziet in zijn gegevens wel invloeden van landbouw, verstedelijking en klimaat, maar opvallend genoeg geen effect van exoten op de inheemse flora. En dat terwijl natuurbeschermingsorganisaties als de IUCN erop hameren dat uitheemse soorten de tweede belangrijke oorzaak vormen voor de achteruitgang van de biodiversiteit op de wereld. Tamis: ,,Ik houd een slag om de arm, maar de zorg om exoten in onze natuur lijkt mij voor een belangrijk deel emotioneel ingegeven.''

`Oude exoten' sterken Tamis in zijn mening. ,,Historische exoten, zoals Zeepkruid, Pijpbloem en de Tamme kastanje zijn volledig ingeburgerd in de Nederlandse natuur en brengen inheemse planten niet in de problemen. Sterker nog, vaak zijn ze zelf bedreigd. Zoals bijvoorbeeld de Korenbloem, een soort die oorspronkelijk uit het Midden-Oosten komt en veel in graanvelden stond, maar die hier nu zeldzaam is geworden.''

Het proefschrift van Tamis verschijnt als supplement van het botanische tijdschrift Gorteria, van het Nationaal Herbarium Nederland.