Moslims ten onrechte als boksbal gebruikt

Paul Scheffer vergroot in zijn artikel `Gelijke monniken, gelijke kappen' (Opiniepagina, 1 november) de theologische onenigheden binnen de islam, meent Rahma Bavelaar. Gerrit Steunebrink betreurt dat Scheffer geen aanzet geeft tot debat met moslims.

Volgens Paul Scheffer zijn er drie voorwaarden voor de succesvolle integratie van de islam in een liberale democratie zoals Nederland: scheiding van kerk en staat, de acceptatie door moslims van het hieruit voortvloeiende gelijkheidsbeginsel met betrekking tot andersdenkenden, en een grotere tolerantie van moslims ten opzichte van kritiek op de islam (Opiniepagina, 1 november).

Het is onbetwistbaar dat het gelijkheidsbeginsel van essentiële waarde is voor de succesvolle integratie van nieuwkomers. Echter, het kunstmatige verband dat Scheffer legt tussen secularisatie en gelijkheid en het feit dat hij de verantwoordelijkheid voor de verwezenlijking van dit ideaal op de schouders van moslims legt, geeft een misleidende indruk van zowel de betekenis van democratie als het verband tussen de islam en bestaande sociale en etnische spanningen in Nederland.

De enige `aanpassing' die Scheffer vraagt van de ontvangende maatschappij, is de volledige implementatie van de scheiding van kerk en staat. Dit zou naar zijn mening zowel de gelijke behandeling van verschillende godsdienstige denominaties garanderen als moslims dwingen ook anderen deze godsdienstvrijheid te gunnen. De formele scheiding van kerk en staat, in de oorspronkelijke betekenis dat geen enkele religie door de staat een speciale status wordt toegekend en de kerk geen wereldlijke macht bezit, is echter allang een feit. Dat geldt ook voor het gelijkheidsbeginsel.

Scheffer stelt dat een goed functionerende democratie en dus het gelijkheidsbeginsel vorm kunnen krijgen indien religie uit de publieke sfeer wordt geweerd (het Franse model). Hoe vormgegeven wordt aan de scheiding van kerk en staat zal uiteraard middels democratische processen beslecht worden, maar het getuigt van weinig realiteitszin om een absolute secularisering van alle instituties als oplossing te presenteren voor een gebrek aan gelijkheid zolang religie een belangrijke rol speelt in het leven van veel burgers en de erkenning dat dit bijdraagt aan de mate waarin deze burgers zich geaccepteerd voelen door de samenleving.

Veel belangrijker dan het benadrukken van formele gelijkheid is de erkennening van de veel subtielere `informele' discriminatie en uitsluiting op bijvoorbeeld de arbeidsmarkt en in het uitgaansleven waar veel moslims zich dagelijks mee geconfronteerd voelen. Het is effectiever om ongelijkheid op dit niveau te benaderen zodat de tekortkomingen aan beide kanten beter belicht kunnen worden en de maatschappelijke spanningen ook in de context van bestaande machtsverhoudingen bezien kunnen worden.

De door Scheffer geconstateerde tolerantie onder moslims vindt zeker haar weerklank in de realiteit maar het problematiseren van de islam als primaire bron van dit probleem en het herhalen van de mantra dat moslims niet genoeg `verantwoordelijkheid' tonen brengt ons niet dichter bij een oplossing. Aanpassing en integratie vinden plaats op het niveau van persoonlijke interactie en niet in gelegenheidspamfletten en publiekelijke verwerpingen van terrorisme – die overigens al uit den treure zijn herhaald. Volgens een door de AIVD verricht onderzoek is 95 procent van de moslims in Nederland op geen enkele manier betrokken bij terreur, noch bij de materiële en/of psychologische ondersteuning ervan. En wie zijn oor te luister legt bij de jongeren onder deze 95 procent, op universiteitscampussen, in de moskee, in cyberspace en in het café, zal horen dat de vorming van een westerse moslimidentiteit in een liberale seculiere maatschappij zeer enthousiast door hen wordt bediscussieerd.

De theologische onenigheden die Scheffer uitvergroot bestaan binnen iedere religieuze gemeenschap en hebben gedurende de lange geschiedenis van de islam altijd bestaan. Deze verschillen hebben echter pas geleid tot maatschappelijke onrust toen ook andere politieke, sociale of economische problemen meespeelden. Soenitische moslims in Nederland zien de Ahmediyya beweging als onorthodox omdat zij een profeet erkennen na de profeet Mohammed, en niet omdat zij, zoals Scheffer stelt, `liberaler' zijn. Dit betekent in de praktijk dat beide groepen niet dezelfde moskeeën bezoeken en niet samen een televisiezender opzetten, maar heeft niets te maken met het elkaar misgunnen van fundamentele burgerrechten en gelijkheid voor de wet.

Een groot probleem van de moslimgemeenschap is inderdaad, zoals Scheffer stelt, `zwakheid'. Echter, meningsverschillen en institutionele verdeeldheid op basis van verschillen in culturele achtergrond – bijvoorbeeld tussen Turken en Marokkanen en Arabieren en Berbers – zijn vele malen groter dan religieus gefundeerde conflicten. Deze zwakheid wordt versterkt door achterstanden op onderwijs- en sociaal-economisch niveau. Het is in dit licht, gecombineerd met de grotendeels rurale achtergrond van de meeste moslimmigranten, dat traditionele opvattingen over seksualiteit en een lage tolerantiegrens voor kritiek bezien moeten worden.

Dit betekent niet dat vormen van intolerantie die de grenzen van de wet overschrijden niet bestreden moeten worden, noch betekent het dat het bespotten en kleineren van datgene wat bijna een miljoen burgers in Nederland zeer dierbaar is, steeds zonder weerwoord geslikt moeten worden. Het is niet eerlijk een eindeloos incasseringsvermogen te verwachten van een groep die nog lang niet in staat is of over het platform beschikt om op gelijke voet het debat aan te gaan.

De islam in Nederland is, naast een bron van radicalisering voor een zeer kleine groep, voor de meeste moslims een bron van inspiratie voor actieve sociale deelname, verantwoord burgerschap en naastenliefde. Meer aandacht voor de positieve rol die een islamitisch bewustzijn kan spelen bij de integratie van moslims is even cruciaal voor het behoud en de bekrachtiging van de maatschappelijke vrede als actieve preventie en bestrijding van alle vormen van onverdraagzaamheid.

Rahma Bavelaar is Afrikanist en redacteur van de Kunst & Cultuurpagina van IslamOnline.net

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel Moslims ten onrechte als boksbal gebruikt (15 november, pagina 6) is sprake van de door Scheffer geconstateerde ,, tolerantie onder moslims''. Bedoeld was de ,,intolerantie onder moslims''.