Leer moslims eindelijk eens kennen

Paul Scheffer vergroot in zijn artikel `Gelijke monniken, gelijke kappen' (Opiniepagina, 1 november) de theologische onenigheden binnen de islam, meent Rahma Bavelaar. Gerrit Steunebrink betreurt dat Scheffer geen aanzet geeft tot debat met moslims.

Het artikel van Paul Scheffer munt uit door onzakelijkheid en verraadt een gebrek aan inzicht in het statuut van onze Grondwet en de daarin vervat liggende rechten. Het munt verder uit door overbodigheid, omdat het geen aanzet bevat om met welke specifieke moslimgroepering dan ook in debat te gaan.

De inzet van de grondwet is grondwettelijk gedrag en niet grondwettelijke ideeën. Zolang de moslims zich hier grondwettelijk gedragen is er niets aan de hand.

Ongrondwettelijke ideeën staan grondwettelijk gedrag als zodanig niet in de weg. De rooms-katholieke kerk had tot aan Vaticanum II ongrondwettelijke ideeën over de godsdienstvrijheid, hetgeen echter het grondwettelijke gedrag van de toenmalige Europese katholieken niet in de weg stond. Integendeel, zij konden bijdragen aan een grondwettelijk goed functionerende samenleving zowel binnen als buiten de confessionele partijen. Vervolgens kennen we zelfs politieke partijen met ongrondwettelijke opvattingen die toch grondwettelijk functioneren zoals de SGP en de toenmalige CPN. Wat dat betreft is met de moslims niets bijzonders aan de hand.

Gedrag en niet de theoretische grondslag van gedrag is de eerste zorg van de Grondwet. De vraag naar die theoretische grondslag ligt natuurlijk voor de hand, omdat men daardoor inzicht in motivaties en dus in betrouwbaarheid meent te krijgen. Maar er is geen eenduidige lijn van theoretische concepties naar betrouwbaarheid van motieven.

Onze joodse staatsburgers blijven volstrekt betrouwbaar in hun respect voor de Nederlandse godsdienstvrijheid, terwijl ze tegelijkertijd op basis van hun religieuze overtuigingen de idee van een religieuze staat Israël aan kunnen hangen, die zoals we weten, ook moeilijkheden heeft met de godsdienstvrijheid. Zo mag ook de betrouwbaarheid van de erkenning van de Nederlandse godsdienstvrijheid door de moslimmedeburgers niet afhankelijk gemaakt worden van hun opvattingen over een islamitische staat in het Midden-Oosten, laat staan van wat groepen aldaar erover denken.

Wanneer we dan toch moslimmedeburgers naar hun theoretische overtuigingen vragen, dan doen we dat niet primair om hen te testen, maar om elkaar te leren kennen, om wederzijds wantrouwen te overwinnen, om een goed maatschappelijk klimaat te scheppen, waarin de waarde van grondwettelijke vrijheden zichzelf praktisch kan bewijzen. Maar dan moet je wel in gesprek gaan met groeperingen en verenigingen in Nederland en niet de islam in het algemeen aanspreken.

Tot wie richt Scheffer zich eigenlijk? Op basis waarvan zegt hij dat `wij' niets verder gekomen zijn? Wie zijn `wij'? Wat had moeten gebeuren in de moslimwereld na de moord op Theo van Gogh nu er nog steeds in het praktische gedrag van het overgrote deel van hen geen spoor van geweld te bekennen is? Welke islamitische groepering in Nederland bedreigt onze godsdienstvrijheid?

In plaats van concreet in gesprek te gaan met Nederlandse moslims en de resultaten ervan te evalueren, onderzoek te doen zoals een wetenschapper betaamt, opent Scheffer, zo blijkt uit de reactie van Ayaan Hirsi Ali, een vruchteloze theoretische discussie over de mogelijkheid van een moderne islam, over wat de islam in het algemeen wel of niet kan.

De kans om onze eigen moslimmedeburgers te leren kennen en erachter te komen wat zij concreet willen en kunnen, hoe juist zij de islam in een moderne context beleven, hoe zij theoretisch en praktisch omgaan met de grondwettelijke vrijheden, ontbreekt in zijn artikel.

Daardoor werkt Scheffers artikel in feite als een motie van wantrouwen, voortkomend uit gebrek aan concrete kennis, tegen de overgrote meerderheid van moslims die zich keurig grondwettelijk gedraagt. Zijn artikel getuigt eerder van de moeilijkheid een traag maatschappelijk proces van consensusvorming theoretisch in de greep te krijgen, dan van het praktisch onvermogen van moslimburgers de grondwettelijke vrijheid van godsdienst te respecteren.

Dr. Gerrit Steunebrink is docent godsdienst- en cultuurfilosofie aan de Radboud Universiteit te Nijmegen.

www.nrc.nl/opinie : artikel Scheffer