Kermis noodhulp moet rap op de schop

Lang leve de onderzoeksjournalistiek. Dat ons ingezamelde hulpgeld voor Kosovo regelrecht naar de maffia werd overgemaakt, had zelfs ik met al mijn kritiek op de noodhulp na rampen, niet durven dromen. Evenmin had ik ooit gedacht dat de Serviërs die indertijd door leidende westerse politici en hulpverleners van genocide werden beschuldigd, geld dat voor hun slachtoffers was ingezameld zouden ontvangen.

Alle andere bevindingen van Joep Dohmen in zijn reportage over de besteding van 52 miljoen euro die de actie voor Kosovo in 1999 opbracht (NRC Handelsblad, 12 november), kwamen mij echter bekend voor. Ik had ze in mijn boek Politiek van goede bedoelingen dat over de humanitaire interventie van de NAVO in Kosovo ging, al deels aangekondigd en voorspeld. Voor de zorgvuldige krantenlezer waren ze overigens van meet af aan duidelijk zichtbaar. `Kosovo wordt overspoeld door onbruikbare medicijnen afkomstig van hulporganisaties' werd al meteen geconstateerd. En deze krant vroeg toen al direct om een onderzoek omdat duidelijk werd dat de kosten van de vele hulppakketten die uit de opbrengst van de actie naar Kosovo werden gestuurd meer dan twee keer zo hoog waren als de schamele inhoud rechtvaardigde.

Het is goed dat dit onderzoek er nu gekomen is. De onthutsende onthullingen zullen velen, hoop ik, de ogen openen voor wat Ivan Illich ,,de smerige kanten van de hulpverlening'' heeft genoemd. Toch zou ik voor een beter begrip van de werkelijke effecten van de hulpverlening een aantal vervolgonderzoeken bepleiten. Die zou ik dan wel vanuit een andere uitgangshypothese willen opzetten. De hypothese waar Dohmen impliciet vanuit blijft gaan is dat hulp helpt. Er mag dan wel wat, soms zelfs veel, misgaan, maar het uitgangspunt blijft dat het goed is om na rampen veel hulp te geven. Hiertegenover zou ik willen stellen wat ik in het verleden van toenmalige collega's uit de internationale hulpverleningswereld als wijsheid meekreeg: erger dan een ramp zelf is de hulpverlening erna.

Vanuit deze hypothese krijgen de gegevens van Joep Dohmen nog meer gewicht. Want het gaat dan niet alleen om de slechte besteding van hulpgelden die niets positiefs zouden opleveren. Ook de directe negatieve effecten komen zo in het vizier. Afhankelijkheid, onderling wantrouwen, toenemende corruptie, in het oog springende ongelijkheden, maatschappelijke strijd en afgunst, gevoelens van machteloosheid – ze zijn alle direct het gevolg van de projecten die Dohmen als mislukt beschrijft. Over de indirecte financiering van de maffia heb ik het dan nog niet eens. Uit reportages, die ook in deze krant stonden, uit zowel Bosnië als Kosovo blijkt dat grote delen van de Oost-Europese maffia hun activiteiten deels dankzij de hulpverlening kunnen voortzetten en uitbreiden.

In lijn met de genoemde hypothese zou het de moeite waard zijn om uitgebreid onderzoek te doen naar de projecten die wel als geslaagd worden beschouwd. In de reacties van de hulpverleningsorganisaties op de bevindingen van Dohmen klinkt vooral schuldbesef door. Fouten zullen worden hersteld, in de toekomst zal beter worden uitgekeken. Hebben ze niets positiefs te melden, zijn ze niet trots op het merendeel van hun projecten? Of zijn ze bang dat die sterk lijken op de lijst van mislukkingen? Kan dat maar beter niet te diepgaand worden onderzocht? Een beetje zelfbewuste organisatie zou Dohmen uitgenodigd hebben om op haar kosten de vele gelukte projecten te bezoeken. Dan zouden de overwegend positieve effecten van de hulp belicht kunnen worden. Of zijn die er niet? Ook zou een interessant vervolgonderzoek kunnen worden gehouden naar de uitspraken die de leidende figuren uit de hulpverleningswereld indertijd over Kosovo hebben gedaan. Geconfronteerd met toen ook al kritische vragen over de gevolgen van grootscheepse noodhulp, zongen zij unaniem de lof van de liefdadigheid. Minister Herfkens die Kosovo bezocht, kon bijvoorbeeld alleen maar juichen. Dankzij de hulpverlening konden de humanitaire doelen die achter de NAVO-interventie hadden gezeten, volledig gerealiseerd worden. Mislukte projecten behoorden volgens haar tot het verleden. ,,De ervaring van tientallen jaren ontwikkelingssamenwerking'' kon worden ingezet voor een voorspoedige wederopbouw van Kosovo.

In `Politiek van goede bedoelingen' merkte ik al op dat ik een knipselmap had waarin hulpverleners al tientallen jaren dit soort optimistische clichés ten beste gaven. Ik kan er nu de reacties van de hulpverleningsorganisaties op Dohmens verhaal aan toevoegen. Ook zij blijken steeds te leren van de fouten uit het verleden die ze in de toekomst niet meer beloven te maken. Maar wat als die `fouten' tot de structuur van de hulpverlening zelf horen en dus niet vermijdbaar blijken?

Spannend zou ten slotte een vervolgonderzoek zijn naar de publieke meningsvorming rondom internationale hulpacties na rampen. Uit eigen ervaring weet ik dat hulporganisaties meestal niet happig zijn op grootse en spoedige noodhulp. De publieke opinie dwingt hen echter vaak om inzamelingsacties op te zetten. Dat gebeurde rond Kosovo over een breed maatschappelijk spectrum van De Telegraaf tot Freek de Jonge: ,,We moeten iets doen'', stelde de laatste bijvoorbeeld als verantwoording van de Kosovo-actie, die hij persoonlijk initieerde. Zijn emoties gaf hij in een gedicht de vrije loop: ,,Staakt, makkers, staakt het vuren, helpt kinderen, helpt de buren''.

We moeten iets doen en na afloop voelen we ons er goed over. Als dat doen verkeerd uitpakt, is het de schuld van de hulporganisaties. En die, zo blijkt uit de reportage van Dohmen, schuiven de verantwoordelijkheid weer snel naar de groepen en mensen met wie ze in Kosovo samenwerken. Als zij het geld maar kwijt zijn, het liefst met een accountantsverklaring, achten zij hun taak volbracht. Niemand is op deze wijze schuldig, niemand neemt verantwoordelijkheid. Max Weber heeft in de vorige eeuw een helder onderscheid gemaakt tussen een ethiek van gezindheid en gevoelens en een ethiek waarin verantwoordelijkheid wordt gedragen voor de gevolgen van iemands handelen. In de politiek moet het volgens hem om de laatste vorm van ethiek draaien. In de hulpverlening lijkt echter alleen de eerste te bestaan. Hoe kijken politici, opinieleiders en intellectuelen terug op hun rol in de Kosovo-actie? Zwelgen ze nog steeds in hun emoties, verschuilen ze zich nog graag achter hun goede bedoelingen of durven ze verantwoordelijkheid te nemen voor wat zij mede op gang brachten en ondersteunden?

Hans Achterhuis is filosoof.

www.nrc.nl : Dossier Giro 555 Kosovo