Het beeld

,,Rineke Dijkstra laat zich zelden interviewen, maar ze maakte voor Nova een uitzondering'', zo kondigde Jeroen Pauw trots een item van Annephine van Uchelen en Ellen Brans aan. Ook al is het eerste deel van die zin misschien wat zwaar aangezet, want er bestaan wel degelijk geschreven vraaggesprekken met de fotograaf, het was inderdaad een bijzondere reportage, ter gelegenheid van de opening van een overzichtstentoonstelling van haar portretten in het Stedelijk. Niet omdat Nova ,,een tot de internationale top-5 behorende'' fotograaf ,,had'', als een soort van RTL Boulevard voor kunstliefhebbers (,,een Dijkstra-afdruk doet snel tienduizenden dollars''), maar omdat je deze maakster van moderne iconen niet vaak zelf te zien krijgt.

Het uitzonderlijke school dan ook niet zozeer in haar woorden of in die van conservator Hripsimé Visser: ,,De eenvoudige, klassieke structuur van haar werk biedt juist ruimte voor een echte ontmoeting.'' Dijkstra's Venus van Botticelli, gefotografeerd op het strand in een oranje bikini en in deze krant door Hans den Hartog Jager aangeduid als ,,een moderne koektrommelklassieker'', had zelf gevraagd om gefotografeerd te worden: ,,Ze houdt haar buik in en haar haar vast, probeert aan een perfect beeld te voldoen, maar ze verraadt zich doordat ze nog zo aan het zoeken is.''

Klopt allemaal precies, maar het allermooiste is het moment dat Rineke Dijkstra, terwijl ze over het meisje praat, zelf naar haar haar grijpt, en je begrijpt dat al die beroemde foto's van onzekere tieners ook zelfportretten zijn.

Voor bewegende beelden geldt evenzeer dat klassieke eenvoud vaak de meeste ruimte biedt om de geportretteerde te begrijpen. Het blijkt uit flarden van video's van Dijkstra, met voor een witte achtergrond solo dansende meisjes in een Zaandamse en een Liverpoolse disco. Het blijkt ook uit het voor Dokument (NCRV) vervaardigde drieluik Huis te koop van Arno Kranenborg, over een Amersfoorts echtpaar in scheiding dat zijn huis maar niet verkocht krijgt. Kranenborg, die eerder in Recordings zijn loepzuivere blik op zingende asielzoekers richtte, laat nu zonder commentaar zien dat het probleem slechts zeer gedeeltelijk wordt veroorzaakt door een economische recessie, falende makelaars of een te hoge hypotheek. Zelfs de satan, die volgens de protestants-christelijke huiseigenaar aan het werk is, lijkt geen volledige verklaring te kunnen bieden: ,,Eerst maakt hij een huwelijk kapot, en dan stelt hij het geloof op andere manieren op de proef.''

Een meer rationele sleutel van het mysterie wordt aangereikt door de ongeveer veertienjarige zoon, als op een kijkdag na anderhalf jaar nog steeds nauwelijks potentiële kopers opduiken: ,,Papa, 359.000 euro, was dat niet hetzelfde bedrag in guldens waarvoor jullie het huis hebben gekocht?''. Dat klopt verrassend, maar toch is vader niet van plan ook maar een cent in prijs te zakken: ,,Dat hoeft niet, zolang er geen bod is geweest.'' Ook in het eerste deel was al koppig gesteld dat je bij een echtscheiding nog geen financieel verlies hoeft te accepteren.

Kranenborg laat liefdevol-klinisch zien, onder meer in de buitenproportionele woede over de geslaagde verkoop van het huis van de buren, dat de satan in dit geval vooral de mammon dient.