Extreme en extraverte Mahler bij Kreizberg

Twee van 's werelds mooist dirigerende dirigenten leidden dit weekeinde de Vijfde symfonie van Mahler met resultaten die soms haaks op elkaar leken te staan. In het Amsterdamse Concertgebouw werd het wereldberoemde New York Philharmonic Orchestra twee keer gedirigeerd door Lorin Maazel, volgens hemzelf de àllerwereldberoemdste dirigent. Vrijdag klonk daar de Vijfde van Mahler, die de New Yorkers zelf nog in zijn laatste jaren leidde. In Utrecht begon de nog niet wereldberoemde Yakov Kreizberg gistermiddag bij het Nederlands Philharmonisch Orkest aan drie Vijfdes. De laatste twee klinken vanavond en morgenavond in het Amsterdamse Concertgebouw.

Lorin Maazel, 75 en al zesenzestig jaar parmantig dirigerend met veel brille en visueel effect, begon met Strauss' Tod und Verklärung. Hij leek zichzelf en de fabuleuze speeltechniek van het orkest daarin nog te willen overtreffen. Langzaam klonk heel erg langzaam, snel klok verbluffend veel te snel, wat in beide concerten ook in de toegiften vaak het geval was.

De Tweede symfonie van Schumann was zaterdag minder extreem, soms wat wuft, soms wat zagerig, maar ook opzienbarend glanzend en glinsterend. Maar Strauss bleef steken in contrasten en uiterlijkheden, en zo raakten de diepere bedoelingen van deze muziek tussen aarde en hemel op de achtergrond.

Jammer was dat vooral omdat Tod und Verklärung (1888-'89) in titel en thematiek de filosofie definieert van veel muziek rond 1900. Vrijwel alles van Mahler is ermee te karakteriseren, ook het lied Wo die schönen Trompeten blasen en de Kindertotenlieder waarin de Zweedse Anne Larsson zaterdagavond veel indruk maakte met haar edel getimbreerde altstem en de soms verbazingwekkende lengte van haar noten. Haar expressie in de aangrijpende Kindertotenlieder was verdoofd en wanhopig, maar de kamermuzikale begeleiding vaak al te esthetisch; de tragiek mag hier wat pregnanter.

Mahlers Vijfde was veel beter dan Tod und Verklärung, maar wel wat wisselvallig. Maazels extremen passen ook beter bij de grilligheid van Mahler.

Dankzij het vaak fantastische spel van de New Yorkers met hun superieure kopergroep, kon Maazel tijdens de hellegang in de eerste heftige delen putten uit de macaber klinkende krochten van het orkest. Het Adagietto klonk mooi, de finale spetterend, maar ondertussen leek Maazel zich soms ook wat te vervelen en ontbrak het in al te breed uitgemeten passages aan essentiële spanning.

Die spanning was overvloedig aanwezig in de Vijfde van Kreizberg, die eerder veel indruk maakte met de Eerste en de Tweede van Mahler. Kreizberg, ook een dirigent met verblindend mooie gebaren, denkt minder aan zichzelf en meer aan de muziek. Origineel is dat hij de Vijfde inleidt met acht liederen uit Reisebuch aus den österreichischen Alpen (1929) van Ernst Krenek – muziek in een idioom tussen Schubert, Mahler en Schönberg in, voortreffelijk gezongen door Wolfgang Holzmair.

In de Vijfde laat Kreizberg het Nederlands Philharmonisch Orkest spelen op zijn top. En hij komt in snellere tempi tot een scherper geprofileerde en intensere Mahler. Zijn Adagietto klinkt tederder, maar verder is alles Mahleriaans extreem en extravert, vurig en overrompelend.

Concerten: New York Philharmonic Orchestra o.l.v. Lorin Maazel. Gehoord: 11, 12/11 Concertgebouw Amsterdam.

Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Yakov Kreziberg. Gehoord: 13/11 Vredenburg, Utrecht. Herh.: 14, 15/11 Concertgebouw Amsterdam. Res: (020) 6718345.