Dooremmeren

Vorige week gebruikte ik hier het woord dooremmeren (,,Ik blijf niet dooremmeren over het nieuwe Groene Boekje, maar...''). Dat kwam mij op een boze reactie van een lezeres te staan. ,,Dit woord is plat en ordinair en stamt uit de tijd van de cavalerie'', schreef zij, ,,waar soldaten sodomie pleegden met hun paarden en te dien einde op een emmer moesten gaan staan. Toch niet een woord voor een taalpurist!''

Ik geloof niet dat het de bedoeling was, maar ik moest hierom lachen. In de eerste plaats om het idee dat ik een taalpurist zou zijn. Volgens de Grote Van Dale is een taalpurist `iemand die zijn moedertaal wil zuiveren van onnodige bastaardwoorden of, in ruimere zin, van alle onjuiste of verkeerd toegepaste wendingen, uitdrukkingen, constructies, vormen en vertalingen'. Het idee is kennelijk – en daar stuit ik wel vaker op – dat je als schrijver van een taalrubriek tegen van alles bent, om te beginnen tegen taalverloedering. Maar nee, ik weet niet goed wat taalverloedering is en in taalzaken ben ik zelden ergens voor of tegen. Ik mag me graag in de geschiedenis van een woord of uitdrukking verdiepen en verder probeer ik taalveranderingen te signaleren, meer niet.

Verder moest ik lachen om de veronderstelde seksuele betekenis van dooremmeren. Volgens Van Dale heeft emmeren drie betekenissen: `sodomie plegen met merries', `geslachtsgemeenschap hebben in het algemeen' en `zeuren, zaniken'. Dooremmeren heb ik in geen enkel woordenboek kunnen vinden, maar op internet komt het honderden keren voor en vanzelfsprekend is het gevormd naar het voorbeeld van o.a. doorzeuren, doorzeveren en doorzagen. Met name huzaren zouden zich hebben bezondigd aan emmeren; voor dooremmeren, dat in de beste kringen voorkomt, heb je geen paard nodig.

Maar goed, waar het hier in feite om gaat is dat dooremmeren informeler of platter was dan de rest van die zin. Taalkundigen spreken in dit verband van een registerwisseling. Als je zegt ,,Majesteit, mijn vader zei in dergelijke penibele situaties: je kunt me de bout hachelen'', dan behoort het tweede gedeelte van die zin tot een ander (lager of informeler) register dan het eerste deel. Je ziet dergelijke registerwisselingen vooral in min of meer `vrije' teksten; of ze geslaagd of effectief zijn is een kwestie van smaak. In de spreektaal wordt zo'n registerwisseling vaak voorafgegaan door een formulering die mij dierbaar is, namelijk ,,Om het in gewoon Nederlands te zeggen''. Bijvoorbeeld: ,,Meneer de voorzitter, om het in gewoon Nederlands te zeggen: dat is lulkoek.''

Hoe zit het trouwens met dat emmeren? Klopt het wel dat dit te maken heeft met soldaten die hun paarden sodomiseerden? In de betekenis `zeuren, zaniken' is emmeren in 1914 voor het eerst opgetekend, in de Grote Van Dale (,,lig toch niet te emmeren''). De seksuele betekenis is in 1961 voor het eerst gesignaleerd. Enno Endt nam emmeren in 1972 op in zijn Bargoens woordenboek, met als toelichting: ,,Van verschillende informanten kwam inzake de herkomst het verhaal over seksuele omgang met paarden of koeien, waartoe de bedrijver zich op een emmer posteert.'' De Grote Van Dale heeft hier vervolgens van gemaakt: ,,Oorspronkelijk gezegd van huzaren, die staande op een omgekeerde emmer geslachtsgemeenschap met een paard zouden hebben gehad.''

Dit kán natuurlijk waar zijn, maar het Etymologisch woordenboek van het Nederlands wijst erop dat deze verklaring niet berust op schriftelijke bronnen. ,,Beter is het'', aldus dit wetenschappelijke woordenboek, ,,om emmeren te zien als een afleiding van het al in 1906 in de boeventaal gesignaleerde scheldwoord emmer voor `hoer'.''

Overigens vinden we emmeren al in 1637 in de Statenvertaling, zij het als meervoudsvorm van emmer. Maar toch, in Numeri 24:7 staat: ,,Er zal water uit zijn emmeren vloeien, en zijn zaad zal in vele wateren zijn.'' U ziet hier zaad en emmeren, keurig binnen één stijlregister.