Wie wat bewaart bezwijkt

Stel dat u in 1923 directeur van het Vlaams Letterkundig Museum, het AMVC, was geweest en u hoorde dat het woonhuis van Virginie Loveling, die dat jaar in Nevele overleed, verkocht zou worden. Virginie had geen kinderen, haar reeds overleden zuster Rosalie ook niet, en enkele verre neven wilden het huis voor een flink bedrag verkopen. Tot uw grote opluchting mocht u voor de verkoop opruimen, en u mocht meenemen wat u wou. Wat zou u meegenomen hebben?

Een paar dingen liggen voor de hand. Natuurlijk alle manuscripten en alle boeken die de zusters geschreven hebben. Maar dan beginnen al meteen de problemen. U opent de bureauladen en daarin vindt u handgeschreven rekeningen en bankafschriften met sommetjes erop. In de keuken blijkt een stapel boodschappenbriefjes op een spijker geprikt te zijn. In de aanrechtla vindt u briefjes met opdrachten aan de werkster: `vloer met gele was boenen s.v.p. ook in de hoeken en onder de divan.' U bent geamuseerd en gooit deze briefjes weg. Dan komt u in de bibliotheek. U schrikt: wat hebben de dames niet allemaal verzameld! De planken bezwijken onder het gewicht. U trekt een boek uit de kast. Het zijn gedichten van Victor Hugo. In het handschrift van Rosalie ziet u allerlei krabbels en uitroeptekens. Ja, besluit u, dit is belangrijk, want zo weet het nageslacht door welke dichters zij beinvloed is. Maar hoe meer boeken u openmaakt, hoe meer aantekeningen u ziet. De dames schreven in boeken, roept u nu wanhopig uit! Dit kan ik niet allemaal in het AMVC bergen.

Toch gaat u welgemoed door. Die boeken, die zoekt u later wel uit, voorlopig neemt u ze maar allemaal mee. U wil ook nog wat persoonlijke herinneringen uitzoeken. Het zou wel aardig zijn om een vitrine met pennen, inktkokers, handschoentjes en dergelijke van de dames te maken. Of een reconstructie van de werkkamer met ook nog wat familieherinneringen, dat lijkt u ook wel wat. Het bureau, de werkstoel, de lamp, wat foto's in lijstjes. Als u het nu niet kunt tentoonstellen, komt het vast later nog eens te pas. Dus laat u de hele werkkamer inpakken. Dan gaat u naar de slaapkamer. U overweegt of u dat kuise smalle damesbed, tevens het sterfbed, zou kunnen tentoonstellen, maar nee, daar is geen plek voor. Het beddegoed gooit u meteen rigoreus weg. Maar op haar nachtkastje ziet u een rozenkrans liggen – ach, bad de verlichte dame nog? Die gaat mee. Het kunstgebit laat u diskreet verdwijnen, maar hoe ontroerd bent u als u ontdekt dat ze een bundeltje poëzie van haar sinds lang overleden zuster naast haar sterfbed had liggen – Virginie las Rosalie tot op haar laatste dag. Het boekje onderscheidt zich niet van het exemplaar dat u al in de bibliotheek had gevonden, dus u stopt er een briefje in: gevonden op het nachtkastje naast het sterfbed U pinkt een traan weg en gaat naar de linnenkast. Kousen, directoires, hemden, het heeft uw belangstelling niet.

Ho ho, directeur, beseft u dan niet dat juist dit soort zaken het best bewaarde geheim van het voorgeslacht is; en dat wij vrouwen van de 21ste eeuw wel eens heel graag zouden weten vanaf wanneer onze voorgangsters onderbroeken droegen en hoe die er dan uitzagen? Juist over deze zaken wordt zo vaak gezwegen in de boeken over het verleden. En hoe zouden we beter weten wat dames uit de tamelijk hoge burgerklasse in de vroege 20ste eeuw zichzelf van onderen tot boven kleedden dan juist uit een linnenkast? U moppert: ja, maar ik ben een directeur van een letterkundig museum, ik krijg subsidie om letterkundige herinneringen te bewaren. Aan directoires heb ik niets. U moet bij een andere directeur zijn, bij de directeur van een museum voor volkenkunde, bij een openluchtmuseum of bij een museum van het dagelijkse leven.

Maar juist dat museum bestaat niet, niet in Nederland, niet in Belgie. En juist die musea waarin je ziet hoe vanaf de middeleeuwen de was gedaan werd, hoe matrassen gevuld werden, hoe eten opgediend werd, waarop gekookt werd, wanneer toiletpapier gebruikelijk werd, die zijn er niet. Stelselmatig werden de voorwerpen die met de dagelijkse ordinaire hygiene en verzorging gemaakt hadden weggegooid. En wie daar nú de geschiedenis van wil schrijven, is aangewezen op afbeeldingen ervan op prenten of schilderijen van boertige schilders.

Maar, zult u tegenwerpen, waar beginnen we aan! De last van het verleden is zwaar, en vooral, ze neemt zoveel ruimte in beslag. We moeten toch weggooien om niet om te komen in ons eigen vuil. We kunnen de overheid toch ook niet opzadelen met de plicht om alles te boekstaven. Er zijn toch werkelijk grenzen aan de conserveringsplicht van de overheid? Er zijn al musea voor de letterkunde, de geschiedenis, de schilderkunst, er zijn gemeentemusea, en museumtuinen, het schoolmuseum, het postzegelmuseum, het penningmuseum, het museum voor natuurlijke historie, en het tropenmuseum, het museum voor oudheden en wat niet al meer. Het is om te stikken als men alles wat oud is meteen waardevol vindt.

Ik zag inderdaad ooit een serie op de BBC over rare eenlingen die in hun huis vijftig jaargangen van kranten, alle lege conservenblikjes en het lijk van hun poes bewaren. Er zijn mensen die het zelfs moeilijk vinden om verbruikte treinkaartjes weg te gooien. Maar dit soort mensen heeft er wel voor gezorgd dat we nu nog kunnen zien hoe de allereerste treinkaartjes die toegang gaven tot de eerste stoomtreinen eruit zagen.

Ook in de geschiedenis van een maatschappij, in de literatuur, in de architectuur, in de kunst vindt voortdurend een schifting plaats ten bate van een overzichtelijk verleden. Om van het verleden te kunnen genieten, moet er weggegooid worden. Dat is de krankzinnige paradox van het behoud van het verleden.

Maar hoe heeft een overheid zich daarin te gedragen? Het is een redelijk aanvaard standpunt in de westerse wereld: de overheid heeft voor haar historische erfgoed te zorgen. Dat kan monumentaal zijn, zoals het Centraal Station in Amsterdam. Het kan ook heel nietig zijn en gaan om het behoud van subtiele zaken, zoals het manuscript van de Mei van Herman Gorter. Maar wat men zich moet realiseren is dat wij zelf de overheid zijn en wij moeten kiezen of we willen betalen voor behoud of niet. Stel dat er behoudbelasting geheven zou worden, bijvoorbeeld verplicht zo'n 100 euro per jaar – zouden we dan nog zo behoudzuchtig denken?

In de negentiende eeuw werden de stadsmuren en poorten gesloopt, vaak tot grote opluchting van de stadsbewoners die de omheining van de stad associeerden met de bekrompen visie van hun voorvaders. Als er nu nog een stadspoort zou dreigen afgebroken te worden, zou de gemeenschap in opstand komen. Maar wanneer kleine gezichtsbepalende boerderijtjes, arbeidershuisjes en dergelijke afgebroken worden, is er minder protest. En toch: hoe illustratief is de arbeiderswoning uit de jaren vijftig van de vorige eeuw met de aangebouwde lage varkensstal, met het buitentoilet voorzien van een plank met gat boven de beerput. Met de zinken emmers en de koperen pomp en de drinklepel ernaast en de emaille vergiet en de zware ijzeren braadpan, de zoutpot, het eierrek, al die parafernalia uit een verdwenen wereld, vervangen door Blokker-massaproducten – die zelf weer het bewaren waard zijn, alleen al omdat ze zo snel uit het assortiment gaan. Het museum van het vergiet, van het bestek, van de stofzuiger, ach het zou allemaal kunnen en allemaal bestaansrecht hebben, ware het niet dat een mens die Rome bezoekt toch liever de St. Pieter bekijkt dan het museum van de italiaanse pastavormen.

Om niet om te komen in het verleden moet er welbewust gekozen worden voor behoud van het waardevolle, het unieke, maar met oog voor parafernalia. Als er door toeval dan toch het een en ander van het waardeloze overgebleven is, door het toeval bewaard, door het toeval behouden, door het toeval bij elkaar gebracht, laten we ons daar dan in verheugen. Ik weet niet wat er in werkelijkheid met het huis van Virginie Loveling gebeurd is, maar het is geen museum geworden, en ik geloof niet dat haar bed bewaard is gebleven. Laten wij daarom blij zijn dat er hier en daar nog wel huizen in hun geheel bewaard gebleven zijn. Het Museum Bisdom Van Vliet in Haastrecht bijvoorbeeld, Tetar van Elven in Delft, het Honig Breethuis in Zaandijk, Willet Holthuysen in Amsterdam of de minder rijke huizen op Aldfaers erf in Friesland. Maar onderbroeken, nee, die worden ook in deze huizen niet bewaard.