Vanuit de mens bezien heeft een dier alleen maar nut

Jan van IJken heeft zich naar aanleiding van de opeenvolgende crises met dierziekten verdiept in de relatie tussen ons en de dieren die wij houden. Zijn foto's zijn even ingetogen als confronterend. Dieren hebben ons niet nodig, wij hen wel: om ze te eten, maar ook om van ze te houden.

Neem de kip. Op de ene foto wordt een sierkip met een föhn gedroogd, ze wordt mooi gemaakt voor een tentoonstelling. (Een foto eerder werd ze nog in de wasbak in de badkamer aan de vleugels door een sopje heen gehaald). Ze heeft wel wat weg van Pino uit Sesamstraat, met veren als exuberante pluimen die haar poten helemaal bedekken; de straffe wind van de föhn doet haar gekleurde kruin rechtop staan. Op een andere foto worden eendagskuikens in een metalen carrousel aangevoerd, kop naar voren geklemd, snavels klaar om te worden gekapt.

Neem het varken. Op de ene foto staat een enorme harige gevlekte zeug in de woonkamer. Hier in 't Swieneparredies, dat zich ten doel stelt voorlichting te geven over het varken, is ze net zo thuis als de bewoners die aan tafel zitten. Op de andere foto zien we een big ingeklemd tussen de benen van de boer die het in een korte, behendige beweging castreert; naast hem staat de hond vol verwachting op zijn hapje te wachten.

Voor deze achtste aflevering van Document Nederland, de jaarlijkse documentaire foto-opdracht van NRC Handelsblad en het Rijksmuseum, heeft Jan van IJken zich verdiept in de relatie tussen mens en dier. Hij heeft zich daarbij met name gericht op gehouden dieren: productiedieren, proefdieren en plezierdieren. Terwijl je naar de foto's kijkt wisselen vertedering, verbazing en weerzin elkaar in snel tempo af. Vooral het contrast is opmerkelijk. Enerzijds de oprechte, zelfs intense liefde en zorg waarmee de hond voor een show wordt opgetut, gezellig mee in bad wordt genomen, of naar zijn laatste rustplaats op een dierenbegraafplaats wordt gebracht. (Iedereen die wel eens een huisdier heeft verloren weet hoe echt het verdriet om dat weerloze schepsel is). Anderzijds is er de haast machinale omgang met het dier als leverancier van voedingsstoffen: melk, vlees, eieren. Wonderlijk genoeg kunnen dat dieren van dezelfde soort zijn. Neem de koe: de ene wordt met borstel en nagelschaar getoiletteerd om als een filmster op de foto te gaan, de andere wordt met stokken de veewagen ingeslagen.

De vraag dringt zich op waarom we van sommige dieren zielsveel houden en andere ons Siberisch laten, of in ieder geval niet genoeg beroeren om ervoor uit onze stoel te komen. Gelukkig, zou ik bijna zeggen, kunnen we de schuld voor onze desinteresse voor een deel in de schoenen schuiven van de landbouwsector en de bio-industrie. Die zorgen er immers voor dat we de productiedieren niet eerder te zien krijgen dan wanneer ze onherkenbaar en geruststellend anoniem gefileerd en gepaneerd in het piepschuimen bakje van de juiste kleur in de supermarkt liggen. Op de foto's is goed te zien hoe weinig onderscheid er in het hele voedselverwerkingsproces bestaat tussen, ik noem maar wat, een aardappel en een konijn.

Vooral de foto's van het dierenleed zijn aangrijpend. Maar ook de overdaad aan dierenliefde staat mij tegen. Deze uitwassen van de welvaart zijn helemaal schrijnend als je beseft dat het productiedier de echte liefde ontbeert. Soms gaan leed en lol samen: begin deze maand werd in deze krant de `wurgkip' beschreven, een knuffelige speelgoedkip die schreeuwt en trappelt als-ie wordt gewurgd, maar meteen weer vrolijk rondwaggelt en een kippenlied zingt als-ie wordt losgelaten.

Foto's van dieren als die van Jan van IJken, boeien ons ook om een andere reden. Want hoewel we de dieren aan ons hebben onderworpen, menen we er ook iets van onszelf in te herkennen. Een stil verlangen om ons met hen te identificeren. We willen het liefst geloven dat het kuiken dat eenzaam op het puntje van de lopende band staat, verzet pleegt, dat hij moedig weigert in de kist met honderden lotgenoten te stappen. We dichten hem een heroïsche daadkracht toe, terwijl we ook heel goed weten dat het onmogelijk is. Wij kijken naar de wereld van de dieren als in een soort spiegel, in de hoop daarin onze plaats in de schepping te kunnen ontwaren. De dieren zelf hebben daar geen besef van, maar in al hun onbevangenheid bevestigen ze dat wij niet alleen op de wereld zijn. Een geruststellende gedachte.

De foto's confronteren ons met de complexe dubbelhartigheid van onze verhouding tot dieren. Erg vleiend is dat niet. In de supermarkt hebben we er geen cent voor over om productiedieren een minder ellendig leven te gunnen, maar als een eend in het park mogelijk zijn poot heeft gebroken rukken de dierenambulance en de brandweer met vijf man en een duiker uit. Hoeveel extra vierkante centimeters per kip in een legbatterij, hoeveel stro op het metalen rooster in een varkenshok hadden er kunnen worden gefinancierd van de inzet van deze professionele dierenvrienden? We zijn, kortom, zo inconsequent als de pest.

Dieren hebben ons niet nodig. Gedomesticeerde dieren natuurlijk wel, die hebben we van ons afhankelijk gemaakt door voedsel en onderdak te geven, maar voor verreweg het grootste deel van het dierenrijk zou het verdwijnen van de mens een grote vooruitgang zijn. Zoals cabaretier Vincent Bijlo op Dierendag (ook al zoiets) in deze krant schreef: ,,Als de mensheid op uitsterven staat, is er geen dier dat ook maar een poot uit zal steken. Sterker nog, er zal een zucht van verlichting door de fauna gaan.''

Wij daarentegen hebben dieren wél nodig. Uit de foto's van Jan van IJken blijkt zonneklaar dat wij juist van hen afhankelijk zijn voor de bevrediging van allerlei behoeftes. Een zeer tot de verbeelding sprekend voorbeeld van die afhankelijkheid hangt op dit moment op de tentoonstelling `Beestachtig mooi' in het Van Gogh Museum in Amsterdam: een schilderij waarop een vrouw een bloedtransfusie krijgt van een geit.

Op een alledaagser niveau hebben we proef- en productiedieren nodig voor ons fysieke welzijn, om ons van eten te voorzien of om onze geneesmiddelen op te testen.

Soms hebben we ze nodig om onze heerschappij te bewijzen, zoals bij het stierengevecht of in het circus of bij de jacht. En op het spirituele vlak hebben we de dierentuin en de fast forward-natuurbeleving van Animal Planet nodig om onze plaats in de schepping te leren kennen en van enige context te voorzien.

Dieren van plezier hebben we nodig omdat ze onvoorwaardelijk onze liefde en genegenheid incasseren en soms beantwoorden (de hond met meer zichtbare blijdschap dan de poes, de poes meer dan de cavia). Of om lijdzaam toe te staan dat we krulspelden in hun haar zetten, om door een hoepel te springen.

Vanuit de mens bezien zijn alle dieren dus nutsdieren, of wij nu onze liefde aan ze opdringen of er schnitzels van bakken.