Terugkeer van de barbarij

In de oudheid beschouwden de Perzische koningen de Grieken als een verwijfd volk. Op hun beurt bestempelden de Grieken de Perzen als barbaren. De Perzische koningen minachtten de Grieken, omdat die in meerderheid hun dagen vulden met discussiëren over van alles en nog wat. De Agora in Athene was daarvoor de ontmoetingsplaats bij uitstek.

De Grieken waren geen week volk. Ze waren trots op de manier waarop hun politieke leven was ingericht. Dit werd op een onnavolgbare wijze door Pericles in zijn Grafrede, opgetekend door Thucydides, verwoord: ,,Onze vorm van samenleven is namelijk niet een navolging van de gebruiken van onze buurlanden. Veeleer zijn wij zelf een voorbeeld voor anderen dan dat wij hen imiteren. Haar naam luidt democratie, omdat het bestuur niet neerkomt op een klein aantal, maar bij een meerderheid berust. Voor de wet is bij geschillen tussen privé-personen ieder gelijkberechtigd, waardering ontmoet elk naar de goede naam die men op enig gebied verwerft, en een vooraanstaande positie in het openbare leven verkrijgt men niet omdat men aan de beurt is maar vanwege bijzondere verdienste. Ook armoede is geen bezwaar, want iemand die op een of andere manier voor de gemeenschap iets kan betekenen wordt niet gehinderd door gebrek aan aanzien. Vrij en soeverein is onze vorm van samenleven in het behartigen van onze gemeenschappelijke belangen [...].''

De Perzische koningen haatten de vrije meningsvorming, waardoor iedereen zijn zegje kon doen. Daarentegen dachten de Grieken dat de waarheid niet door één man moet worden gedicteerd, maar in een proces van meningsvorming ontstaat. Democratie veronderstelt vrijheid van meningsuiting maar schept tevens de mogelijkheid om de macht te kunnen controleren. Zodoende is de vrijheid van meningsuiting een hoeksteen van onze democratische rechtsorde. Die vrijheid is een kostbaar goed dat iedere keer moet worden verdedigd – repressief en preventief.

Niet alleen de gezworen vijanden maar ook onvoorzichtige ambtenaren en politici kunnen een bedreiging vormen voor de vrijheid. Dit gevoel bekruipt mij wanneer ik het wetsvoorstel voor het verbieden van het verheerlijken van de terroristische aanslagen lees. Daarin wil minister Donner van Justitie het verheerlijken, vergoelijken, bagatelliseren of ontkennen van onder meer terroristische aanslagen strafbaar stellen. Zelden heb ik zo'n ondoordacht en strafrechtelijk onuitvoerbaar wetsvoorstel gezien. Hoe moet de rechter een strafrechtelijke betekenis toekennen aan het delictbestanddeel `bagatelliseren of ontkennen'? Is het niet makkelijker om de koran als de bron van het islamitische terrorisme te verbieden? Moeten we ook cabaretiers die grapjes maken over de aanslagen arresteren?

Juist dit wetsvoorstel zou tot onrust en onnodige conflicten leiden. Gelukkig is het al door politici zoals Van Aartsen, Dittrich en Hirsi Ali naar de prullenbak verwezen. Wat moet worden bestreden is het oproepen tot het plegen van geweld. Daarvoor hebben we artikel 131 Wetboek van Strafrecht, waarin sprake is van opruiing. Wel zou het verstandig zijn om aan dit wetsartikel een nieuw lid, inhoudende het terroristische oogmerk, toe te voegen.

Onverschillige of incompetente bestuurders vormen óók een bedreiging voor de vrijheid. Op dit gebied heeft de burgemeester van Amsterdam al een spraakmakende reputatie opgebouwd. In de Rode Hoed zou op 1 november een debat gehouden worden, ter viering van het boek De terugkeer van de geschiedenis. De avond werd door Trouw georganiseerd. De onderwerpen, het moment en de deelnemers verhoogden de terreurrisico's. Een aantal deelnemers staat op een lijst van te beveiligen personen. Cohen wilde, ondanks het feit dat hij in het programma Buitenhof daarover rechtstreeks door het Kamerlid Hirsi Ali was aangesproken, niet meer toezeggen dan dat tot aan de drempel van het gebouw de beveiliging geregeld was. En in het gebouw? Dat moesten de organisatoren zelf regelen. Tegen een redacteur van Trouw zei Cohen dat de organisatie van bijeenkomsten als deze, net als bij het voetbal, maar twee euro meer entree moesten vragen en daaruit de beveiliging moesten financieren. Beseft Cohen dat vrije meningsvorming de kern van de democratie is? Kennelijk niet. Wie vrijheid van meningsuiting vergelijkt met voetbal, vraag in feite aan burgers om hun mond te houden. Dit is nou de Perzische, de barbaarse benadering.

Het ging hier om bestrijding van terreur en dat is een zaak van de overheid.

Uiteindelijk moest Trouw zelf de interne beveiliging regelen, anders kon het debat niet doorgaan. Overigens kwamen na de pauze twee wijkagenten de zaal binnen. Dan vraag je je af wat intussen was veranderd. Het moet te maken hebben met de ingewikkelde sociaal-democratische logica. Stel, de dochter van Cohen organiseert op haar school een discussiemiddag met Ayaan en mij. De school heeft, begrijpelijkerwijs geen geld om de beveiliging te regelen. De discussie gaat dan niet door. Daardoor groeit de angst onder de mensen. De oplossing: de dochter van Cohen moet alleen de geestverwanten van haar vader uitnodigen. En dan zegt één van hen: ik ben zwart, moslim, liberaal en boos. Jammer dat deze geestverwant niet zegt: ik ben ook gehandicapt en lesbisch. Dan is het sociaal-democratische Amsterdamse feest compleet. De moraal van het verhaal: wie in Amsterdam geld heeft (twee euro extra toegang betalen), of behoort tot de bevriende sprekers, kan nog steeds het grondwettelijke recht op vrijheid van meningsuiting effectueren.