Studiehuis

Onderwijscolumnist Leo Prick doet de laatste weken enthousiast mee aan de hype om het studiehuis af te schilderen als de grootste ramp die het voortgezet onderwijs is overkomen. Er gaat inderdaad nog wel wat mis in het onderwijs en er stoppen in het hoger onderwijs massa's studenten vroegtijdig met hun opleiding, maar om daar `het studiehuis' de schuld van te geven is weinig wetenschappelijk. Het studiehuis bestaat namelijk niet in het Nederlands voortgezet onderwijs. Het studiehuis is een theoretisch model dat in de jaren '90 voor de bovenbouw van havo en vwo werd ontwikkeld om leerlingen zelfstandig te leren studeren. Nergens is het in de wet- of regelgeving opgenomen. De ene school gebruikt de term studiehuis nu voor haar bovenbouw-afdeling waar voor 90% precies op dezelfde manier wordt lesgegeven als 15 jaar geleden, de andere noemt zijn mediatheek waar leerlingen af en toe zelfstandig mogen leren het studiehuis. Maar het model waar veelvuldig in de media tegen wordt gefulmineerd wordt vrijwel nergens volledig in praktijk gebracht.

Betreurenswaardig is dus niet dat het studiehuis is ingevoerd, maar dat er van die invoering niet zo veel is terecht gekomen. Niemand zal immers ontkennen dat het goed is dat leerlingen in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs zelfstandig leren studeren. Het waren juist de universiteiten die hier begin jaren '90 op aandrongen. Ook toen was de uitval op universiteiten al enorm. Die uitval werd en wordt niet veroorzaakt omdat de studenten tegenwoordig zo weinig weten, het aloude cliché dat Leo Prick en de door hem zo bewonderde classica uit Buitenhof naar voren brachten. Een gemotiveerde student met de juiste studievaardigheden heeft immers in korte tijd zijn leemtes in kennis weggewerkt. Studenten mislukken vooral door een verkeerde attitude.

Dat de vernieuwing van de tweede fase in 1998 niet tot de beoogde verbeteringen heeft geleid, heeft meerdere oorzaken. Tegelijk met de oproep tot onderwijskundige vernieuwing werd een verbreding van het vakkenpakket en een fragmentering van examenvakken ingevoerd, waardoor voor verdieping en training van vaardigheden veel te weinig tijd overbleef. Vanuit universiteiten en pedagogische instellingen werden veel te weinig praktijkgerichte en in de praktijk geteste methoden aangedragen om leerlingen studievaardigheden en een juiste attitude aan te leren. Leraren moesten dat naast hun 25 lessen per week zelf maar zien uit te vinden. Zij volgden veelal slaafs de methoden zoals die door de uitgevers in haast op de markt werden gebracht, vakinhoudelijk wel aangepast aan de nieuwe exameneisen, maar pedagogisch didactisch veelal te weinig doordacht.

Polemiseren over de verantwoordelijkheid voor fouten uit het verleden heeft niet zo veel zin. Over de doelen liggen feitelijk de opvattingen weinig uit elkaar, we worstelen vooral met de vraag hoe we leerlingen met een bepaalde leerstijl op de meest effectieve manier kunnen laten leren. Laat Leo Prick als onderwijsspecialist op dit soort vragen nu eens duidelijke antwoorden geven.